In de secundaire analyse van de Twins Nutrition Study (TwiNS) wilden de onderzoekers nagaan of de twee diëten in de oorspronkelijke 8-weeks interventiestudie ook echt voldeden aan het ontwerpdoel: beide diëten moesten “gezond” zijn (hoge dieetkwaliteit), maar tegelijk duidelijk van elkaar verschillen zodat je hun effecten eerlijk kunt vergelijken. Daarvoor werden 22 paren eeneiige tweelingen (44 deelnemers) geïncludeerd, waarbij binnen elk tweelingpaar één persoon willekeurig een gezond veganistisch dieet kreeg (zonder ei, zuivel, vis en vlees) en de ander een gezond omnivoor dieet dat qua energie-inname voor ongeveer 60% uit gezonde plantaardige voeding bestond en voor 40% uit ‘optimale’ dierlijke bronnen (zoals eieren, zuivel, vis en vlees; waar mogelijk organisch/pasture-raised/wild-caught). Door eeneiige tweelingen te gebruiken probeerden de onderzoekers genetische verschillen en een deel van de vroege leefstijl te “neutraliseren”, zodat de vergelijking tussen diëten scherper wordt.
De interventie had twee fasen: in de eerste 4 weken kregen deelnemers thuisbezorgde, vooraf bereide maaltijden (om de controle en adherence te verhogen), en in de laatste 4 weken moesten ze zelf hun maaltijden samenstellen met begeleiding van gezondheidseducatoren. De voedingsinname werd op drie momenten gemeten (week 0, 4 en 8) met herhaalde 24-uurs voedingsrecalls, en de algehele dieetkwaliteit werd samengevat met de Healthy Eating Index-2015 (HEI-2015). Bij aanvang lagen de gemiddelde HEI-scores rond het Amerikaanse gemiddelde (ongeveer 58): 58,1 in de vegan-groep en 56,5 in de omnivoorgroep. Vervolgens verbeterde de dieetkwaliteit in beide groepen duidelijk. Na 4 weken steeg de HEI gemiddeld met 14,2 punten bij de veganisten en met 9,0 punten bij de omnivoren; na 8 weken bleven die verbeteringen grotendeels overeind (+12,0 bij vegan, +7,9 bij omnivoor). Met andere woorden: het lukte om zowel in een vegan als in een omnivoor voedingspatroon een “gezondere versie” te realiseren gedurende de studie, en die verbetering was niet alleen een kort effect van de maaltijdbezorging.
Als je kijkt naar wat er veranderde, zie je een gedeelde “gezonde richting” in beide groepen: meer groente (en vaak ook meer fruit), en minder toegevoegde suikers, minder geraffineerde granen, minder natrium en minder verzadigd vet. Dat past bij de instructies die beide groepen kregen (hoogwaardige, minimaal bewerkte voeding, gebalanceerde maaltijden, variatie en aandacht voor voorkeuren). Tegelijkertijd bleven de diëten ook inhoudelijk substantieel verschillend, precies zoals bedoeld. De vegan-groep onderscheidde zich met meer peulvruchten en duidelijk hogere vezelinname, en ook vaker meer noten en zaden. De omnivoorgroep had – passend bij dierlijke producten – een hogere inname van cholesterol en vitamine B12. Op detailniveau zag je dat tijdens de bezorgde-maaltijdenfase de veranderingen vaak het grootst waren (logisch, omdat de studie dan meer controle had over wat mensen aten), maar dat veel van die patronen in de zelf-kookfase grotendeels werden vastgehouden.
De auteurs concluderen dat deze voedingsdata de “interne validiteit” van de oorspronkelijke TwiNS-vergelijking ondersteunen: je kunt de eerder gerapporteerde gezondheidsuitkomsten (zoals veranderingen in LDL-cholesterol en andere cardiometabole markers) beter interpreteren omdat beide groepen niet simpelweg “gemiddeld” aten, maar in beide armen aantoonbaar richting een gezonder patroon opschoven, terwijl de belangrijkste onderscheidende kenmerken tussen vegan en omnivoor (zoals vezels/peulvruchten versus cholesterol/B12) overeind bleven. Sterktes van de aanpak zijn het tweelingdesign, de relatief hoge volledigheid van de recalls en de combinatie van een gecontroleerde bezorgfase met een realistischere zelf-kookfase. Beperkingen zijn vooral de kleine steekproef, de korte duur (8 weken; je weet niet hoe duurzaam dit is op lange termijn), de kans op (onder)rapportage die bij zelfgerapporteerde voeding hoort, en de beperkte generaliseerbaarheid omdat de groep vooral uit hoger opgeleide, voornamelijk witte vrouwen bestond. De studie pleit daarom voor vervolgonderzoek met langere follow-up en meer aandacht voor ervaringen, barrières en facilitatoren bij het volhouden van hoogwaardige (plantaardige) voedingspatronen.
Conclusie: Op basis van dit onderzoek kun je niet concluderen dat een plantaardig dieet in het algemeen veel beter is dan een omnivoor of carnivoor dieet. De TwiNS-studie was namelijk zo opgezet dat beide dieetgroepen een gezonde, hoogwaardige versie van hun voedingspatroon volgden. Daardoor verbeterde de dieetkwaliteit in zowel de vegan- als de omnivoorgroep duidelijk gedurende de studie. Het doel van het onderzoek was niet om een “winnaar” aan te wijzen, maar om onder zo gelijkwaardig mogelijke omstandigheden te vergelijken wat er gebeurt als mensen een gezond vegan versus een gezond omnivoor dieet volgen. De gevonden verschillen zaten vooral in de samenstelling van de voeding — zoals meer vezels en peulvruchten bij veganisten en meer vitamine B12 en cholesterol bij omnivoren — en niet in een simpel onderscheid tussen gezond en ongezond. Bovendien was de studie kortdurend en gericht op dieetkwaliteit en naleving, niet op langetermijngezondheid of harde klinische eindpunten. Wat het onderzoek vooral laat zien, is dat de kwaliteit van het dieet belangrijker is dan het label “plantaardig” of “dierlijk”, en dat zowel een goed samengesteld vegan als een goed samengesteld omnivoor dieet kan bijdragen aan een gezonder voedingspatroon.
Zeitlin AB, Ward CP, Cooper AOM, Landry MJ, Krenek AM, Durand LR, Cunanan KM, Robinson JL, Dant CC, Gardner CD. Diet Quality and Comparison of Plant-Based Versus Omnivore Diets in Identical Twins: A Secondary Analysis of the Twins Nutrition Study (TwiNS).Current Developments in Nutrition. 2025;9(10):107549. https://doi.org/10.1016/j.cdnut.2025.107549. PMID: 41081008. PMCID: PMC12513280.