Het artikel – Mental health research in vegans and vegetarians: a critical commentary on ethics, empathy, and epidemiology van Jessica L. Campbell, gepubliceerd in Appetite (2025) – is een kritische beschouwing van het bestaande onderzoek naar mentale gezondheid bij veganisten en vegetariërs. De centrale stelling is dat veel van dit onderzoek methodologisch en conceptueel tekortschiet, doordat het voornamelijk steunt op observationele epidemiologische vergelijkingen tussen veganisten en omnivoren. Volgens de auteur leiden dergelijke vergelijkingen vaak tot misleidende conclusies, omdat zij onvoldoende rekening houden met fundamentele psychosociale en ethische verschillen tussen deze groepen. Hierdoor worden mentale gezondheidsuitkomsten te gemakkelijk toegeschreven aan het dieet zelf, terwijl onderliggende factoren buiten beeld blijven.
Campbell plaatst haar analyse in de context van de groeiende populariteit van plantaardige diëten en de toename van studies die proberen verbanden te leggen tussen veganisme of vegetarisme en psychische klachten zoals depressie en angst. Zij verwijst naar recente overzichtsstudies en meta-analyses die laten zien dat de bewijskracht van dit onderzoek laag is en dat de resultaten sterk uiteenlopen. Deze inconsistenties zijn volgens haar grotendeels te verklaren door observationele onderzoeksopzetten, zelfselectie (wie kiest ervoor om veganist te worden) en het ontbreken van metingen van relevante psychosociale variabelen. Bovendien wijst zij erop dat veel meta-analyses gebruikmaken van deels overlappende datasets, waardoor de indruk van robuust en herhaald bewijs onterecht wordt versterkt.
Een belangrijk punt in het artikel is dat dieetkwaliteit vaak een betere verklaring biedt voor verschillen in mentale gezondheid dan de dieetcategorie zelf. Studies laten zien dat wanneer veganisten een lage dieetkwaliteit hebben, zij gemiddeld meer depressieve symptomen rapporteren dan omnivoren, maar dat dit patroon omkeert wanneer veganisten juist een hoge dieetkwaliteit hebben. Dit suggereert dat niet het veganisme op zich, maar de mate waarin het dieet goed is samengesteld, bepalend is voor mentale uitkomsten.
Hoewel Campbell erkent dat voedingskundige aspecten serieus genomen moeten worden, verzet zij zich tegen de neiging om mentale gezondheidsverschillen vrijwel uitsluitend te verklaren vanuit mogelijke nutriëntentekorten. Tekorten aan onder andere vitamine B12, jodium, ijzer, vitamine D, calcium en lange-keten omega-3-vetzuren kunnen inderdaad voorkomen bij slecht geplande veganistische diëten en kunnen bijdragen aan klachten als vermoeidheid, somberheid of cognitieve problemen. Deze risico’s verdienen volgens haar aandacht in klinische en publieke gezondheidscontexten. Tegelijkertijd benadrukt zij dat dergelijke voedingsfactoren slechts één deel vormen van een veel breder psychosociaal geheel en dat een eenzijdige focus op voeding de complexiteit van veganisme miskent.
Een kernargument van het artikel betreft de rol van empathie. Campbell bespreekt onderzoek waaruit blijkt dat veganisten en vegetariërs gemiddeld een hogere empathie vertonen, met name ten opzichte van dieren. Neurowetenschappelijke studies tonen sterkere activatie in hersengebieden die betrokken zijn bij empathie wanneer zij geconfronteerd worden met dierenleed, en vragenlijstonderzoek laat hogere empathiescores zien dan bij omnivoren. Deze verhoogde empathische gevoeligheid kan enerzijds samenhangen met de motivatie om dierlijke producten te vermijden, maar anderzijds ook met een grotere kwetsbaarheid voor psychische belasting, zoals verdriet, morele stress of existentiële zorgen over dierenleed en milieuschade. Volgens Campbell vormt dit een cruciale confound in onderzoek naar mentale gezondheid, omdat empathie zowel het dieet als de psychische uitkomsten kan beïnvloeden.
Daarnaast besteedt het artikel uitgebreid aandacht aan sociale stigma en marginalisatie. Veganisten en vegetariërs krijgen regelmatig te maken met negatieve stereotypering, discriminatie en sociale afwijzing. Veganisten worden daarbij vaak sterker gestigmatiseerd dan vegetariërs. Verwachte of ervaren afkeuring door familie, vrienden of collega’s kan leiden tot chronische stress, sociale isolatie en een gevoel van onbegrip. Gendernormen spelen hierbij eveneens een rol: plantaardig eten wordt in sommige culturen gezien als “onmannelijk”, wat extra druk kan leggen op mannen die voor vegetarisme of veganisme kiezen. Campbell betoogt dat deze sociale stressoren op zichzelf een substantiële impact kunnen hebben op mentale gezondheid en daarom niet genegeerd mogen worden in onderzoek.
Een ander belangrijk probleem dat zij bespreekt is de inconsistente classificatie van dieetgroepen. In veel studies worden flexitariërs, semi-vegetariërs en strikte vegetariërs of veganisten op één hoop gegooid, terwijl deze groepen sterk kunnen verschillen in motivatie, identiteit en psychologisch profiel. Zelfgerapporteerde dieetlabels blijken bovendien vaak onbetrouwbaar, bijvoorbeeld wanneer mensen zich vegetariër noemen maar toch regelmatig vlees eten. Campbell wijst erop dat flexitariërs juist extra psychologische spanning kunnen ervaren door cognitieve dissonantie tussen ethische overtuigingen en daadwerkelijk gedrag. Deze misclassificatie vervuilt de data en kan leiden tot overdreven of foutieve associaties tussen plantaardige diëten en mentale gezondheid.
In bredere zin bekritiseert de auteur de beperkingen van observationeel onderzoek. Door zelfselectie, persoonlijkheidsverschillen en niet-gemeten variabelen is het vrijwel onmogelijk om causale effecten van dieet op mentale gezondheid vast te stellen. Mensen die om ethische redenen veganist worden, kunnen al vóór die dieetkeuze verschillen in emotionele gevoeligheid, waarden of psychische kwetsbaarheid. Bovendien is de richting van het verband vaak onduidelijk: mentale problemen kunnen ook aanleiding zijn om het dieet te veranderen, in plaats van andersom.
Campbell bespreekt deze kwesties expliciet aan de hand van de Bradford Hill-criteria voor causaliteit. Zij concludeert dat de meeste criteria niet overtuigend worden gehaald: associaties zijn zwak en inconsistent, specificiteit ontbreekt door de vele ethische en sociale confounds, en temporaliteit is onduidelijk. Hoewel biologische plausibiliteit bestaat – zowel voor mogelijke nutriëntentekorten als voor positieve effecten van plantaardige voeding – is dat onvoldoende om causale claims te rechtvaardigen op basis van het huidige bewijs.
Tot slot waarschuwt de auteur voor een reductionistische framing van veganisme als louter een dieet. Zij merkt op dat sommige studies, mogelijk beïnvloed door commerciële of ideologische belangen, vooral focussen op vermeende tekorten en zo psychologische en sociale dimensies onderbelicht laten. Dit leidt tot simplistische mediaberichtgeving die veganisme kan framen als inherent ongezond of risicovol voor de mentale gezondheid, terwijl het in werkelijkheid vaak een diep verankerde ethische en identiteitsgebonden levenskeuze is.
Campbell pleit daarom voor een andere onderzoeksbenadering. In plaats van vergelijkingen tussen veganisten en omnivoren, zouden studies zich moeten richten op verschillen binnen veganistische groepen, bijvoorbeeld op basis van dieetkwaliteit, ondersteuning, copingstrategieën en sociale context. Daarnaast stelt zij voor om gerichte psychologische screening en metingen van empathie, stigma en morele stress te integreren in toekomstig onderzoek. Dit zou leiden tot accuratere en relevantere inzichten voor zowel wetenschap als beleid, en voorkomen dat mentale gezondheidsproblemen onterecht aan veganisme zelf worden toegeschreven.