In Machiavelli on Cruelty and Compassion onderzoekt filosoof Stephen Leach de beruchte visie van Niccolò Machiavelli op macht, moraal en menselijk gedrag, zoals uiteengezet in De vorst (Il Principe). Leach laat zien dat Machiavelli’s denken niet simpelweg “kwaadaardig” is, maar voortkomt uit een consequent – zij het somber – mensbeeld en een radicale afwijzing van abstracte politieke idealen.
Machiavelli schreef De vorst niet uit louter theoretische belangstelling. Zijn werk werd gedreven door persoonlijke motieven: zelfbehoud, zelfverheffing en vooral de wens om terug te keren op het politieke toneel van Florence. Na zijn val uit de gratie bij de Medici hoopte hij via dit boek indruk te maken op Lorenzo de’ Medici en opnieuw politieke invloed te verwerven. Volgens Leach projecteert Machiavelli deze drijfveren op de heerser zelf: zoals hij erkenning nodig had om zich “levend” te voelen, zo moet een vorst zijn onderdanen imponeren om zijn macht te behouden.
Een centraal punt in het artikel is Machiavelli’s kritiek op eerdere politieke filosofie. Die zou te abstract zijn en te weinig rekening houden met hoe politiek in werkelijkheid functioneert. In plaats van te beschrijven hoe mensen zouden móéten handelen, wil Machiavelli laten zien hoe zij feitelijk handelen. Zijn beroemde constatering dat er een diepe kloof bestaat tussen “hoe men zou moeten leven” en “hoe men leeft”, vormt het fundament van zijn politieke realisme.
Vanuit dit realisme ontwikkelt Machiavelli een uitgesproken pessimistisch mensbeeld. Mensen zijn volgens hem ondankbaar, wispelturig en vooral gericht op eigenbelang. Loyaliteit bestaat slechts zolang het veilig en voordelig is. Zodra gevaar dreigt, laten mensen hun beloften varen. Tegen deze achtergrond krijgt moraal geen intrinsieke waarde meer: politieke overleving is het hoogste doel en rechtvaardigt het loslaten van conventionele deugden.
Leach bespreekt uitvoerig het beruchte hoofdstuk 17 van De vorst, waarin Machiavelli stelt dat het beter is voor een heerser om gevreesd te worden dan geliefd, als beide niet te combineren zijn. Liefde berust op dankbaarheid, en die is onbetrouwbaar; angst daarentegen steunt op de dreiging van straf en is daardoor effectiever. Compassie mag hoogstens als schijn worden ingezet, wanneer dat strategisch nuttig is.
Toch ziet Leach een fundamentele zwakte in Machiavelli’s redenering. Machiavelli beweert dat wie altijd deugdzaam wil zijn, onvermijdelijk ten onder gaat in een wereld vol ondeugdzame mensen. Daaruit concludeert hij dat een vorst “niet deugdzaam” moet zijn. Volgens Leach speelt Machiavelli hier met een gevaarlijke dubbelzinnigheid. Het is aannemelijk dat men soms moet afwijken van abstracte morele regels, maar Machiavelli gaat verder: hij verwerpt alle conventionele vormen van deugdzaamheid en vervangt die door één enkele “deugd”, namelijk politieke effectiviteit.
Leach betoogt dat deze stap niet noodzakelijk is. Dat abstracte morele principes tekortschieten, betekent niet dat alle morele oriëntatie moet worden opgegeven. Naast regels en theorieën bestaat er volgens hem iets fundamentelers: compassie. Compassie is geen abstract principe, maar een pre-theoretisch moreel kompas dat ons helpt aanvoelen wanneer regels ontsporen of wanneer menselijkheid verloren dreigt te gaan.
Door compassie volledig buiten beschouwing te laten, sluit Machiavelli zichzelf – en zijn ideale vorst – op in een wereld van kil eigenbelang. Het resultaat is een politiek die weliswaar efficiënt kan zijn, maar ook eenzaam, wreed en moreel verschraald. Leach suggereert dat juist compassie, omdat zij voortkomt uit betrokkenheid bij de mensheid, een correctief kan bieden op zowel rigide idealisme als meedogenloos realisme. Zonder dat correctief dreigt macht te ontaarden in pure zelfhandhaving, losgezongen van elke menselijke betekenis.