Kan COVID-19 het Alzheimerproces versnellen? Nieuwe inzichten en een experimentele behandelroute
COVID-19 wordt steeds vaker in verband gebracht met neurologische klachten en mogelijk versnelde neurodegeneratieve processen. In een open-access narratieve review bespreken onderzoekers hoe SARS-CoV-2 (direct of indirect) processen kan aanjagen die passen bij de ziekte van Alzheimer, met speciale aandacht voor het eiwit tau. Verschillende lijnen van onderzoek wijzen erop dat COVID-19 gepaard kan gaan met verhoogde tau-fosforylering, ontstekingsreacties in het zenuwstelsel en verstoring van vaat- en hersenbarrièrefuncties—factoren die in theorie het Alzheimerproces kunnen versterken. Tegelijk benadrukken de auteurs dat harde causaliteit bij mensen nog niet overtuigend is aangetoond en dat veel aanwijzingen (nog) uit preklinische of indirecte studies komen.
Daarnaast verkent de review een opvallende therapeutische strategie: PROTACs (proteolysis-targeting chimeras). Dit zijn moleculen die niet primair een eiwit remmen, maar het lichaam als het ware instrueren om een schadelijk eiwit (zoals tau of tau-gerelateerde doelwitten) te labelen en af te breken via het ubiquitine–proteasoomsysteem. Omdat tau lastig “klassiek” te remmen is, kan gerichte eiwitafbraak een veelbelovende route zijn. De auteurs plaatsen hierbij wel belangrijke kanttekeningen: PROTACs zitten voor neurodegeneratie grotendeels nog in de preklinische fase, en uitdagingen zoals passage door de bloed-hersenbarrière, selectiviteit en veiligheid moeten eerst overtuigend worden opgelost voordat klinische toepassing realistisch is.
Bron: Post-Covid Alzheimer and Its Remediation via PROTACs Therapy: A Comprehensive Review (Wiley Online Library) — https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/hsr2.71631
Long COVID in Brazilië: webenquête vindt hoge prevalentie en duidelijke risicoprofielen
Een Braziliaanse studie onder 4.231 volwassenen die tussen 2020 en 2023 COVID-19 hadden doorgemaakt, onderzocht hoe vaak langdurige klachten voorkomen en welke factoren daarmee samenhangen. De onderzoekers gebruikten een online vragenlijst en definieerden “long COVID” als symptomen die vier weken of langer aanhielden. In deze groep rapporteerde 56,4% aanhoudende klachten. Dat onderstreept dat langdurig herstel na een infectie veel voorkomt, al moet het cijfer voorzichtig worden geïnterpreteerd omdat het om zelfrapportage in een websurvey gaat en de uitkomst dus niet één-op-één gelijk hoeft te zijn aan de hele bevolking.
In de analyse kwamen meerdere kenmerken naar voren die samenhingen met een hogere kans op langdurige klachten. Ziekenhuisopname tijdens de acute fase was het sterkst geassocieerd (ruim vier keer hogere odds). Ook man zijn, een infectie vóór vaccinatie, het gebruik van sedativa, alcoholgebruik, comorbiditeit (chronische aandoeningen) en sociaaleconomische kwetsbaarheid (begunstigde van sociale programma’s) hingen samen met een verhoogde kans op long COVID. De auteurs benadrukken dat dergelijke modellen kunnen helpen om groepen met een hoger risico beter te herkennen en zorg en nazorg gerichter te organiseren.
Bron: Martoreli Júnior JF et al. Prevalence and associated factors with long COVID in the Brazilian population: The role of health-related behaviors and sociodemographic characteristics. PLOS ONE, 2 januari 2026. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0339612
Hersenmist bij Long COVID: meer dan een vaag gevoel
Veel mensen met Long COVID beschrijven brain fog (hersenmist) als één van hun meest invaliderende klachten, maar wat deze term precies inhoudt, bleef tot nu toe vaag. In deze studie analyseren de onderzoekers hoe brain fog samenhangt met andere symptomen en wat de gevolgen zijn voor het meten van functioneren en kwaliteit van leven. Op basis van vragenlijsten bij mensen met Long COVID laten zij zien dat brain fog sterk samenhangt met vermoeidheid, geheugen- en concentratieproblemen, mentale traagheid en een verminderde belastbaarheid in het dagelijks leven. De klacht blijkt niet op zichzelf te staan, maar onderdeel te zijn van een breder neurocognitief en energetisch klachtenpatroon.
Daarnaast toont het onderzoek aan dat brain fog een duidelijke invloed heeft op de betrouwbaarheid en interpretatie van veelgebruikte meetinstrumenten. Mensen met uitgesproken hersenmist ervaren meer moeite met het invullen van vragenlijsten, wat kan leiden tot onderschatting of vertekening van klachten en functioneren. De auteurs pleiten daarom voor meer aandacht voor brain fog als afzonderlijk en klinisch relevant symptoom, én voor aanpassing of zorgvuldige interpretatie van meetinstrumenten bij Long COVID. Dit is van belang voor onderzoek, maar ook voor de klinische praktijk, revalidatie en (arbeids)functionele beoordeling.
Bron:
Schwartz CE, Borowiec K. Toward characterizing brain fog in long COVID: correlates and impact on measurement metrics. Quality of Life Research, 2026. https://doi.org/10.1007/s11136-025-04102-x
Long COVID jaagt zorgkosten fors omhoog in de VS
Mensen met long COVID maken aanzienlijk hogere zorgkosten dan mensen zonder deze aandoening. Dat blijkt uit een grootschalige Amerikaanse studie op basis van nationale zorggegevens uit 2022. Ongeveer 7% van de volwassen bevolking rapporteerde langdurige klachten na een COVID-19-infectie. Hun gemiddelde jaarlijkse zorguitgaven lagen ruim 4.000 dollar hoger dan bij mensen zonder long COVID. Ook na correctie voor leeftijd, geslacht, verzekeringsstatus en chronische aandoeningen bleven de totale zorgkosten ongeveer 40% hoger.
De hogere uitgaven worden vooral veroorzaakt door meer consulten bij zorgverleners en een sterke toename van poliklinische zorg. Voor spoedeisende hulp en ziekenhuisopnames werden geen duidelijke verschillen gevonden. Dit wijst erop dat long COVID vooral leidt tot een langdurige, voortdurende zorgvraag in plaats van meer acute zorg. De onderzoekers concluderen dat long COVID een blijvende financiële belasting vormt voor het zorgsysteem en benadrukken het belang van gerichte zorgmodellen en beleidsmaatregelen om deze groeiende groep patiënten effectief en betaalbaar te ondersteunen.
Bron: Duru EE et al. Comparison of Healthcare Expenditures Among Individuals With and Without Long COVID in the United States. Journal of Health Services Research & Policy, 2025. https://doi.org/10.1177/00469580251410890
Long COVID: aanhoudende ontsteking en “uitgeputte” afweer als rode draad
Een grote studie in Nature Immunology laat zien dat Long COVID vaak samengaat met een langdurig geactiveerd immuunsysteem. Onderzoekers onderzochten bloedmonsters met meerdere technieken (immuunmetingen, genexpressie en eiwitprofielen) in twee groepen patiënten (2020–2021 en een bevestigingscohort uit 2023–2024). Bij mensen met Long COVID vonden zij maanden na de infectie — tot langer dan 180 dagen — een duidelijk patroon van verhoogde ontstekingsactiviteit, met name in de IL-6- en JAK–STAT-signaalroutes, aangevuld met complementactivatie en veranderingen in stofwisselingsroutes.
Tegelijk zagen de onderzoekers kenmerken van immuunuitputting: T-cellen lijken minder goed te functioneren door langdurige prikkeling, wat kan bijdragen aan persisterende klachten zoals vermoeidheid, benauwdheid en cognitieve problemen. Opvallend is dat er in het bloed geen meetbaar virus werd aangetoond met de gebruikte testen, terwijl de ontstekingssignatuur wel bleef bestaan. De bevindingen wijzen daarmee op mogelijke biomarkers en behandelrichtingen die niet alleen op antivirale therapie leunen, maar ook op het dempen van specifieke ontstekingsroutes.
Bron: Aid M. e.a., “Long COVID involves activation of proinflammatory and immune exhaustion pathways”, Nature Immunology (2026). https://www.nature.com/articles/s41590-025-02353-x
POTS blijft onderkend, ook na COVID-19
Een internationale artsenstudie met 599 POTS-patiënten laat zien dat de weg naar de diagnose vaak lang en frustrerend is. De meeste patiënten ondergaan 5 tot 8 onderzoeken en ongeveer 80% krijgt eerst één of meerdere verkeerde diagnoses, zoals angstklachten of vasovagale syncope. Een kwart wacht langer dan een jaar op bevestiging van POTS, terwijl klachten zoals hartkloppingen en duizeligheid vaak langdurig blijven bestaan.
De onderzoekers vergeleken POTS vóór de pandemie met POTS die volgens artsen door COVID-19 was getriggerd. Post-COVID-POTS-patiënten waren gemiddeld wat ouder en hadden minder voorafgaande aandoeningen, maar het klinische beeld en de behandeling bleken grotendeels vergelijkbaar. De studie onderstreept vooral de behoefte aan betere herkenning, snellere diagnostiek en meer gestandaardiseerde, multidisciplinaire zorg.
Bron: van Middendorp JJ e.a., Characterisation of POTS: Findings from a physician chart-audit pre- and post-COVID-19, Autonomic Neuroscience: Basic and Clinical. https://www.autonomicneuroscience.com/article/S1566-0702(25)00140-7/fulltext
Blijvende zenuwschade na COVID-19 geen uitzondering
Een grote Braziliaanse studie onder 708 voormalige COVID-19-patiënten laat zien dat lichamelijke neurologische klachten 6 tot 11 maanden na ziekenhuisopname nog veel voorkomen. Vooral tintelingen, spierzwakte en loopstoornissen bleken hardnekkig. Bij ongeveer een kwart van de deelnemers vermoedden artsen een neuromusculaire aandoening, terwijl ook beroerte-achtige restschade relatief vaak werd gezien.
De onderzoekers tonen aan dat een kleine set eenvoudige vragen en lichamelijke tests al veel informatie oplevert. Daarmee kunnen zorgverleners sneller bepalen welke post-COVID-patiënten baat hebben bij gespecialiseerde neurologische nazorg.
Bron: Guedes et al., Scientific Reports (2026).
Nieuwe richtlijn biedt houvast bij Long COVID
Een geactualiseerde Koreaanse klinische richtlijn beschrijft hoe Long COVID (PASC) gediagnosticeerd en behandeld kan worden. Long COVID wordt gedefinieerd als klachten die langer dan drie maanden aanhouden na een COVID-19-infectie en niet anders verklaard kunnen worden. De richtlijn benadrukt dat klachten zeer uiteenlopend zijn – van vermoeidheid en benauwdheid tot cognitieve en psychische problemen – en dat een multidisciplinaire, symptoomgerichte aanpak noodzakelijk is.
Specifieke medicatie wordt slechts beperkt aanbevolen; revalidatie, pacing en psychosociale ondersteuning vormen de kern van de behandeling. Vaccinatie en vroege antivirale therapie verkleinen het risico op Long COVID. De richtlijn biedt zorgverleners een belangrijk evidence-based kader, maar onderstreept ook dat verder onderzoek dringend nodig blijft.
Bron: Infection & Chemotherapy, 2025, doi:10.3947/ic.2025.0151
Langdurige ontsteking bij chronische COVID vraagt om gerichte immuuntherapie
Bij een deel van de mensen met chronische COVID blijft het immuunsysteem langdurig ontregeld. In plaats van herstel ontstaat een aanhoudende overproductie van ontstekingsstoffen, zogenoemde cytokinen, die kan leiden tot blijvende klachten zoals vermoeidheid, benauwdheid en cognitieve problemen. Deze ‘chronische cytokine storm’ veroorzaakt schade aan organen en bloedvaten en belemmert volledig herstel.
Een recent overzichtsartikel beschrijft hoe immunomodulerende behandelingen – waaronder corticosteroïden, gerichte biologische geneesmiddelen en nieuwe celtherapieën – kunnen helpen om deze ontsteking te dempen. Door behandelingen af te stemmen op individuele immuunprofielen via biomarkers, ontstaat perspectief op effectievere en veiligere zorg voor mensen met chronische COVID.
Bron: Obeagu EI. Annals of Medicine & Surgery, januari 2026.
Long COVID kent herkenbare patronen
Long COVID is geen willekeurige verzameling klachten, maar kent terugkerende patronen. Een grote internationale systematische review met ruim 2,4 miljoen patiënten identificeert vier hoofdmanieren om Long COVID te classificeren: op basis van samen voorkomende symptomen, per orgaansysteem, naar ernst en op klinische of biologische kenmerken. Vooral vermoeidheid, neurologische klachten en luchtwegproblemen blijken centraal te staan.
Meer grip op diagnose en zorg
De onderzoekers laten zien dat veel patiënten klachten uit meerdere clusters tegelijk hebben en dat factoren zoals leeftijd, geslacht en comorbiditeit het klachtenpatroon beïnvloeden. Door Long COVID in subtypen te benaderen, ontstaat meer houvast voor gerichte diagnostiek, doorverwijzing en behandeling. Dit vormt een belangrijke stap richting meer gepersonaliseerde zorg voor mensen met langdurige post-COVID-klachten.
Bron: Wang et al., eClinicalMedicine, 2025.
Compacte vragenlijst brengt stigma bij Long COVID scherp in beeld
Mensen met Long COVID ervaren vaak stigma, zoals sociale uitsluiting, schaamte of angst om hun diagnose te delen. Dit stigma hangt samen met ernstigere klachten en een lagere kwaliteit van leven. Tot nu toe waren meetinstrumenten hiervoor uitgebreid en belastend, juist voor een patiëntengroep met vermoeidheid en concentratieproblemen.
Onderzoekers ontwikkelden daarom een verkorte versie van de Post-COVID-19 Condition Stigma Questionnaire. De nieuwe PCCSQ-12 telt slechts twaalf vragen, maar behoudt de betrouwbaarheid en inhoudelijke kwaliteit van het oorspronkelijke instrument. De vragenlijst correleert sterk met functioneren, symptoomlast en psychisch welzijn, en is daarmee geschikt voor zowel onderzoek als klinische praktijk.
Bron: Rourke & Damant, Public Health in Practice (2025), DOI: 10.1016/j.puhip.2025.100696
Japanse kruiden helpen bij vastlopende COVID-19
Een Japanse casusbeschrijving laat zien dat de traditionele kruidenformule Mao-to succesvol werd ingezet bij een immuungecompromitteerde patiënt met een maandenlang aanhoudende SARS-CoV-2-infectie. Standaard antivirale middelen faalden herhaaldelijk, terwijl de patiënt koorts en longafwijkingen bleef houden.
Na twee weken behandeling met Mao-to daalde de virusbelasting sterk en verbeterden de klachten en longbeelden. De auteurs wijzen op de lage kosten en het gunstige veiligheidsprofiel, maar benadrukken dat vervolgonderzoek nodig is.
Bron: American Journal of Case Reports, 2026.
Endotheelveroudering als sleutelmechanisme bij ME/CVS en Long COVID
Onderzoekers presenteren een nieuwe overkoepelende verklaring voor ME/CVS en Long COVID, twee postvirale aandoeningen met veel overlappende klachten. Volgens hun hypothese veroorzaken virussen langdurige veroudering van endotheelcellen, de cellen die bloedvaten bekleden. Deze verouderde cellen verstoren doorbloeding, ontsteking en stolling en kunnen zo klachten in hersenen, spieren en darmen verklaren.
Normaal ruimt het immuunsysteem zulke cellen op, maar bij ME/CVS en Long COVID is dat opruimmechanisme verstoord. Hierdoor ontstaat een vicieuze cirkel van vaatproblemen en immuundisfunctie. De auteurs stellen dat dit mechanisme aanknopingspunten biedt voor nieuwe biomarkers en behandelingen, zoals therapieën die senescente cellen aanpakken.
Bron: Nunes et al., Cell Death & Disease, 2026.
Macrofagen als ontbrekende schakel bij Long COVID
Onderzoekers stellen dat Long COVID het best kan worden begrepen als een aandoening van aanhoudende immuunontregeling. In plaats van blijvende orgaanschade speelt vooral chronische activatie van macrofagen – sleutelcellen van het aangeboren immuunsysteem – een centrale rol. Deze cellen kunnen maandenlang actief blijven door persistent spike-eiwit en epigenetische “training”.
Dit macrofaagmodel verklaart waarom Long COVID zoveel orgaansystemen treft: van hersenstam en autonome zenuwstelsel tot bloedvaten, darmen en microcirculatie. Het biedt aanknopingspunten voor nieuwe, meer gerichte behandelstrategieën die zich richten op immuunherstel in plaats van symptoombestrijding.
Bron: McMillan et al., International Journal of Molecular Sciences (2026).
Verlaagde hartslagvariabiliteit bij long COVID, maar normale reactie bij opstaan
Onderzoekers uit Mexico hebben onderzocht of mensen met long COVID en klachten als duizeligheid en hartkloppingen een verstoorde autonome hartregulatie hebben. Zij vonden dat de hartslagvariabiliteit in rust duidelijk lager is dan bij gezonde personen, wat kan wijzen op een langdurige ontregeling van het autonome zenuwstelsel.
Tijdens actief opstaan reageerde het autonome zenuwstelsel echter normaal: de veranderingen in hartslagvariabiliteit waren vergelijkbaar met die van gezonde controles. Dit suggereert dat de autonome regulatie deels kan herstellen na verloop van tijd, vooral bij mensen met een milde tot matige COVID-19-infectie.
Bron: Salas Santos et al., Biology (2026), https://doi.org/10.3390/biology15010001
Cognitieve stoornissen veelvoorkomend na COVID-19
Uit een prospectieve studie blijkt dat cognitieve problemen zeer vaak voorkomen bij mensen die COVID-19 hebben doorgemaakt. Bij twee derde van de onderzochte patiënten werden objectief meetbare stoornissen vastgesteld, met name in aandacht, verwerkingssnelheid en werkgeheugen. Deze klachten traden maanden na herstel op en worden vaak omschreven als “brain fog”.
De kans op cognitieve beperkingen was aanzienlijk groter bij patiënten die tijdens de acute infectie in het ziekenhuis waren opgenomen en bij oudere deelnemers. De onderzoekers benadrukken het belang van structurele cognitieve screening en gerichte revalidatie als onderdeel van de nazorg na COVID-19.
Bron: Sankaranarayanan et al., Journal of Pharmacy and Bioallied Sciences, 2025.
Long COVID na herinfectie: risico of rekenfout?
Een verhoogd risico op long COVID na een tweede SARS-CoV-2-infectie wordt vaak gerapporteerd, maar nieuw methodologisch commentaar laat zien dat deze conclusie sterk afhangt van hoe klachten aan infecties worden toegeschreven. Wanneer long COVID uitsluitend op basis van timing wordt gekoppeld aan de laatste infectie, kan het risico kunstmatig worden opgeblazen.
Een heranalyse onder zorgmedewerkers in Québec toont dat bij zelf-attributie van klachten het risico op long COVID juist lager is na een tweede infectie. De auteurs pleiten daarom voor voorzichtigheid bij EHR-gebaseerde studies en benadrukken het belang van klinische en patiëntgerichte informatie.
Bron: The Lancet Infectious Diseases, Carazo et al., 2026
Energiegebrek in de hersenen bij post-COVID
Onderzoekers hebben voor het eerst direct aangetoond dat mensen met post-COVID een verstoorde energiehuishouding in de hersenen hebben. Met behulp van 31P-MRS werd een verlaagde ATP/PCr-verhouding gevonden in de cingulate cortex, een hersengebied dat belangrijk is voor cognitieve functies. Vooral in de anterieure cingulate cortex bleek minder ATP samen te hangen met slechtere prestaties op cognitieve testen.
De resultaten ondersteunen de hypothese dat mitochondriale disfunctie een centrale rol speelt bij post-COVID en mogelijk ook bij ME/CVS. De bevindingen bieden een biologisch aanknopingspunt voor toekomstige behandelingen gericht op herstel van de cellulaire energieproductie.
Bron: Biological Psychiatry. https://www.biologicalpsychiatryjournal.com/article/S0006-3223(26)00021-1/fulltext
EEG-marker onthult gedeeld mechanisme achter cognitieve vermoeidheid
Onderzoekers tonen aan dat een specifieke EEG-maat – de aperiodieke exponent – samenhangt met cognitieve vermoeidheid bij zowel multiple sclerose als Long COVID. Hoe vlakker de frontale EEG-helling, hoe ernstiger de mentale uitputting. Dit wijst op een verstoorde balans tussen prikkelende en remmende hersenactiviteit in de prefrontale cortex.
De bevinding ondersteunt het idee dat verschillende aandoeningen een gedeeld neurobiologisch mechanisme voor vermoeidheid hebben. Hoewel de EEG-maat nog geen zelfstandig diagnostisch instrument is, kan zij in de toekomst bijdragen aan objectieve monitoring en gerichte behandeling van cognitieve vermoeidheid.
Bron: Linnhoff et al., Psychological Medicine (2026).
Lingzhi onderzocht bij chronische en post-COVID-vermoeidheid
Onderzoekers in Hongkong starten een gerandomiseerde studie naar een lingzhi-supplement (CP003) bij mensen met myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom en aanhoudende vermoeidheid na COVID-19. Gedurende zes weken krijgen deelnemers het supplement of staan zij op een wachtlijst. Vermoeidheid, slaap, mentale gezondheid en algemene gezondheidstoestand worden gemeten met gevalideerde vragenlijsten.
Daarnaast analyseren de onderzoekers bloedwaarden die samenhangen met ontsteking, immuunactiviteit en oxidatieve stress. De studie moet duidelijk maken of het traditionele paddenstoelpreparaat niet alleen veilig is, maar ook daadwerkelijk bijdraagt aan vermindering van vermoeidheidsklachten.
Bron: JMIR Research Protocols, doi:10.2196/82633
Geheugenstoornissen bij long COVID in kaart gebracht
Mensen met een post-COVID conditie (long COVID) hebben aantoonbare stoornissen in het episodisch geheugen. Uit een studie bij 157 patiënten blijkt dat zij moeite hebben met het opnemen, opslaan en terughalen van nieuwe informatie. Vooral vertraagde herinnering en gevoeligheid voor verstoring door nieuwe informatie springen eruit.
De geheugenproblemen hangen deels samen met aandacht en executieve functies en sluiten aan bij de klachten die patiënten zelf ervaren in het dagelijks leven. Volgens de onderzoekers zijn deze bevindingen belangrijk voor betere diagnostiek en gerichte cognitieve revalidatie.
Bron: Oliver-Mas et al., European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience (2026).
Beschadigde bloedvaten mogelijk sleutel bij ME/CVS en Long COVID
Een nieuwe wetenschappelijke hypothese plaatst beschadigde en verouderde bloedvatcellen centraal in het ontstaan van ME/CVS en Long COVID. Onderzoekers beschrijven in Cell Death & Disease hoe een acute virusinfectie, zoals met SARS-CoV-2, blijvende schade kan veroorzaken aan het endotheel: de cellaag aan de binnenkant van bloedvaten. Deze cellen kunnen in een toestand van versnelde veroudering (senescentie) terechtkomen en blijven ontstekingsstoffen en stollingsfactoren uitscheiden.
Normaal ruimt het immuunsysteem dergelijke verouderde cellen op, maar bij ME/CVS en Long COVID lijkt dit opruimmechanisme verstoord. Daardoor kunnen de beschadigde endotheelcellen langdurig aanwezig blijven en klachten veroorzaken in meerdere orgaansystemen. Verminderde doorbloeding van hersenen en spieren kan bijdragen aan cognitieve problemen en post-exertionele malaise, terwijl verstoring van de darm- en bloed-hersenbarrière andere symptomen kan verklaren.
De hypothese biedt één biologisch raamwerk voor uiteenlopende klachten en opent de deur naar nieuwe diagnostiek en behandelingen, zoals middelen die verouderde cellen gericht verwijderen of hun schadelijke effecten afzwakken.
Bron: Nunes et al., Cell Death & Disease, 2026.
Post-COVID-revalidatie verbetert conditie, maar kwaliteit van leven blijft achter
Revalidatieprogramma’s voor mensen met post-COVID leveren duidelijke fysieke winst op, maar dat vertaalt zich niet automatisch in een betere kwaliteit van leven. Dat blijkt uit een Oostenrijkse cohortstudie waarin 227 post-COVID-patiënten werden vergeleken met 370 patiënten die revalideerden vanwege onder meer COPD, astma, hart- en vaatziekten, metabole aandoeningen en orthopedische problemen.
Alle deelnemers volgden in 2023 een multidisciplinair poliklinisch programma van zes tot tien weken bij Therme Wien Med. De vooruitgang werd gemeten met de 6-minuten wandeltest (6MWT) en vragenlijsten over kwaliteit van leven (EQ-5D-5L en EQ-VAS). Alle groepen gingen significant vooruit. Opvallend was dat de post-COVID-groep de grootste fysieke verbetering liet zien: gemiddeld circa 60 meter extra loopafstand.
Toch bleef de ervaren kwaliteit van leven bij deze groep zowel bij start als bij ontslag het laagst. Zelfs na correctie voor beginscores scoorden post-COVID-patiënten significant lager dan de meeste andere groepen. Alleen bij COPD waren de uitkomsten vergelijkbaar laag. De onderzoekers wijzen op aanhoudende klachten zoals vermoeidheid, cognitieve problemen, slaapproblemen en post-exertional malaise (PEM) als mogelijke verklaring voor deze ‘mismatch’ tussen fitter worden en je beter voelen.
De studie benadrukt dat standaard revalidatie fysieke vooruitgang kan stimuleren, maar dat aanvullende aandacht voor mentale gezondheid, energiemanagement en inspanningsintolerantie waarschijnlijk nodig is om ook de kwaliteit van leven substantieel te verbeteren.
Bron: Archives of Physical Medicine and Rehabilitation, 2026.
Blijvende zenuwschade maanden na ernstige COVID-19
Maanden na een ernstige COVID-19-infectie kampen veel ex-patiënten nog met duidelijke neurologische klachten. Dat blijkt uit een grote Braziliaanse cohortstudie onder 708 volwassenen die in 2020 met matige tot ernstige COVID-19 in het ziekenhuis waren opgenomen. Zes tot elf maanden na ontslag werden zij uitgebreid neurologisch onderzocht.
De resultaten laten zien dat lichamelijke neurologische klachten opvallend vaak blijven bestaan. Ongeveer 22% van de deelnemers meldde tintelingen of een doof gevoel in armen of benen. Loopstoornissen en spierzwakte kwamen elk bij 15% voor, terwijl 11% spraakproblemen rapporteerde. Een langere ziekenhuisopname bleek een belangrijke risicofactor. Ook diabetes verhoogde de kans op bepaalde klachten.
Bij neurologisch onderzoek vonden artsen regelmatig aanwijzingen voor schade aan perifere zenuwen en spieren. Ongeveer een kwart van de patiënten kreeg het klinische vermoeden van een neuromusculaire aandoening, vaak een vorm van polyneuropathie. Bij 10% werd gedacht aan een doorgemaakte beroerte of andere vaatschade in de hersenen.
Opvallend is dat eenvoudige testen, zoals de tandemgang (voet-voor-voet lopen in een rechte lijn), vaak afwijkend waren en voorspellend bleken voor neurologische restschade. De onderzoekers ontwikkelden daarom een vereenvoudigde screeningsset met enkele gerichte vragen en twee korte lichamelijke testen. Daarmee kunnen artsen in de nazorg sneller patiënten met verhoogd risico op blijvende neurologische schade herkennen.
De studie onderstreept dat ernstige COVID-19 voor een aanzienlijke groep geen tijdelijke aandoening is. Tegelijk biedt zij praktische handvatten om langdurige neurologische gevolgen tijdig op te sporen en gerichte zorg te organiseren.
Bron: Scientific Reports, 2026.
POTS vóór en na COVID-19: lange zoektocht naar diagnose, weinig verschil in ziektebeeld
Mensen met posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) wachten vaak lang op de juiste diagnose en krijgen in de tussentijd geregeld andere labels opgeplakt. Dat blijkt uit een internationale dossierstudie onder 599 volwassen patiënten in Europa en de Verenigde Staten. De onderzoekers vergeleken POTS vóór de COVID-19-pandemie met POTS die volgens artsen werd uitgelokt door een SARS-CoV-2-infectie.
De uitkomsten laten zien dat circa 80% van de patiënten aanvankelijk een andere diagnose kreeg, zoals angststoornis, vasovagale syncope of ME/CVS. Een kwart moest langer dan een jaar wachten voordat POTS werd vastgesteld. In die periode ondergingen veel patiënten vijf tot acht onderzoeken, variërend van ECG en echocardiografie tot kanteltafeltesten en actieve sta-testen. De diagnose werd meestal gesteld door cardiologen of neurologen.
Hoewel klachten gemiddeld iets afnamen in de tijd, bleven ze bij veel patiënten chronisch aanwezig. De behandeling start doorgaans met leefstijladviezen – meer zout en vocht, compressiekousen en geleidelijke training – en wordt zo nodig aangevuld met medicatie zoals bètablokkers of ivabradine. Opvallend is dat post-COVID-POTS klinisch sterk lijkt op ‘klassieke’ POTS. Patiënten waren gemiddeld iets ouder bij aanvang van klachten en hadden minder vooraf bestaande aandoeningen, maar het ziekteverloop en de behandelkeuzes verschilden nauwelijks.
De studie onderstreept dat POTS een langdurige en vaak onderkende aandoening is, met aanzienlijke zorgbelasting en veel diagnostische vertraging. Vroege herkenning, vooral in de eerste lijn, kan onnodige omwegen en frustratie helpen voorkomen.
Bron: Autonomic Neuroscience, 2026.
Long COVID houdt het immuunsysteem in alarmstand
Bij een deel van de mensen met Long COVID blijft het afweersysteem maandenlang actief, alsof het lichaam nog steeds tegen een infectie vecht. Dat blijkt uit een uitgebreide studie in Nature Immunology, waarin onderzoekers meerdere lagen van het immuunsysteem tegelijk analyseerden: genactiviteit in immuuncellen, eiwitprofielen in bloed en signaleringsroutes van ontsteking.
In twee onafhankelijke cohorten – één uit 2020–2021 en een latere bevestigingsgroep uit 2023–2024 – zagen de onderzoekers een terugkerend patroon. Mensen met Long COVID vertoonden langdurig verhoogde activiteit van ontstekingsroutes, met name de IL-6- en JAK–STAT-signaalwegen en complementactivatie. Tegelijk waren er aanwijzingen voor uitputting van CD8+ T-cellen, een toestand waarbij afweercellen minder effectief functioneren na langdurige stimulatie. Deze combinatie van aanhoudende ontsteking en immuunuitputting bleef bij sommige deelnemers langer dan zes maanden na de acute infectie zichtbaar.
Opvallend was dat in het bloed geen aantoonbaar actief virus werd gevonden met de gebruikte methoden. Toch bleef het ontstekingssignaal bestaan. Dat suggereert dat Long COVID niet per se wordt aangedreven door meetbare viremie in het bloed, maar mogelijk door ontregeling van immuunregulatie of restschade.
De bevindingen wijzen op een herkenbare inflammatoire subgroep binnen Long COVID, waarin IL-6/JAK–STAT, complement en T-celuitputting centraal staan. Dat biedt aanknopingspunten voor toekomstige biomarkers en gerichte behandelingen. Zo wordt inmiddels onderzocht of remming van specifieke signaalroutes, zoals met een JAK1-remmer, klachten kan verminderen.
De studie onderstreept dat Long COVID geen puur subjectieve restklacht is, maar bij een subgroep gepaard gaat met meetbare, langdurige ontregeling van het immuunsysteem.
Bron: Nature Immunology, 2026.
Uitgebreide samenvatting: https://www.depublicist.nl/long-covid-post-covid/long-covid-houdt-het-afweersysteem-aan-aanhoudende-ontsteking-en-uitgeputte-t-cellen-gevonden/
Omega-3 bij long COVID: hoopgevend mechanisme, maar nog geen definitief bewijs
Kan een voedingsvet invloed hebben op “brain fog”, somberheid en aanhoudende ontsteking bij long COVID? In een uitgebreid reviewartikel onderzoeken wetenschappers hoe langeketenvetzuren uit de omega-3-familie – met name EPA en DHA – mogelijk ingrijpen op de wisselwerking tussen immuunsysteem, brein en stressregulatie.
Long COVID gaat bij een deel van de patiënten gepaard met aanhoudende ontsteking, oxidatieve stress en ontregeling van stresssystemen zoals de HPA-as. Volgens de auteurs kunnen omega-3-vetzuren op meerdere niveaus invloed uitoefenen. Ze zijn bouwstenen voor zogenoemde specialized pro-resolving mediators (SPM’s), stoffen die niet alleen ontsteking remmen, maar ook helpen deze netjes af te ronden. Daarnaast kunnen EPA en DHA membraaneigenschappen van hersencellen beïnvloeden, ontstekingssignalen moduleren en mogelijk bijdragen aan herstel van neuro-inflammatie.
De review bespreekt ook mogelijke effecten op stemming en angstklachten, mede doordat EPA in eerdere studies bij depressieve symptomen gunstige effecten liet zien. Verder worden theoretische verbanden gelegd met stollingsprocessen en ontregeling van het RAAS-systeem, dat betrokken is bij COVID-19.
Belangrijk is dat het hier gaat om een overzicht van biologische plausibiliteit en indirect bewijs uit andere aandoeningen. Er zijn nog geen grote, afgeronde gerandomiseerde klinische studies die aantonen dat omega-3-suppletie long-COVID-klachten daadwerkelijk vermindert. De auteurs pleiten daarom voor gerichte trials om dosering, behandelduur en geschikte subgroepen te bepalen.
De conclusie is voorzichtig optimistisch: omega-3-vetzuren zijn biologisch plausibel als ondersteunende strategie bij long COVID, vooral bij klachten rond stemming en cognitieve problemen, maar overtuigend klinisch bewijs moet nog volgen.
Bron: Reviewartikel over omega-3 en long COVID, 2026, https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC8977215
Uitbgebreide samenvatting: https://www.depublicist.nl/long-covid-post-covid/onderzoek/omega-3-vetzuren-bij-long-covid-hoe-epa-en-dha-mogelijk-ontsteking-stemming-en-brain-fog-beinvloeden/
Voeding en supplementen bij COVID-19: ondersteunend, maar geen wondermiddel
Kunnen voeding en supplementen het verschil maken bij COVID-19? Een uitgebreid klinisch overzichtsartikel brengt de huidige stand van het bewijs in kaart en concludeert dat goede voeding het immuunsysteem kan ondersteunen, maar dat harde aanbevelingen voor hoge doseringen supplementen nog niet gerechtvaardigd zijn.
Uit de samengebrachte klinische studies blijkt dat met name vitamine D, vitamine C, zink en selenium veel zijn onderzocht. Vooral vitamine D springt eruit: mensen met lage spiegels lijken een groter risico te hebben op een ernstig verloop van COVID-19, en suppletie kan bij tekorten zinvol zijn. Voor vitamine C en zink zijn er aanwijzingen voor ondersteuning van immuunfuncties en ontstekingsregulatie, maar grote studies tonen geen eenduidig effect op ziekteduur of sterfte. Selenium en andere micronutriënten lijken vooral relevant bij aantoonbare tekorten.
Ook omega-3-vetzuren, glutamine, polyfenolen zoals resveratrol en probiotica worden besproken. Kleine studies laten verbeteringen zien in ontstekingsmarkers en mogelijk in klinische uitkomsten, maar het bewijs is nog beperkt. Daarnaast wijzen observationele gegevens op een mogelijk beschermend effect van een mediterraan voedingspatroon, rijk aan groenten, fruit, volkorenproducten, olijfolie en vis. Zo’n voedingspatroon levert antioxidanten, vezels en gezonde vetten die samen bijdragen aan een goed functionerend immuunsysteem.
De auteurs benadrukken dat voeding geen vervanging is voor medische behandeling of vaccinatie, maar wel een ondersteunende rol kan spelen, met name bij kwetsbare groepen of bij vastgestelde tekorten. Voor algemene suppletie in hoge doseringen ontbreekt momenteel overtuigend klinisch bewijs.
Bron: Clinical Evidence on the Potential Beneficial Effects of Diet and Dietary Supplements against COVID-19 Infection Risk and Symptoms’ Severity, 2026.
Plantaardige voeding bij long COVID: veelbelovend, maar nog onbewezen
Kan een (overwegend) plantaardig voedingspatroon helpen bij klachten van long COVID? In een verkennende literatuurreview onderzoekt arts-onderzoeker Maximilian Andreas Storz of plantaardige voeding een ondersteunende rol kan spelen bij symptomen zoals vermoeidheid, slaapproblemen, stemmingsklachten en chronische pijn.
Het artikel is geen klinische trial, maar een zogenoemde narrative review. De auteur bundelt bestaand onderzoek – grotendeels van vóór de pandemie – naar aandoeningen met vergelijkbare klachten, zoals depressie, chronische pijn en slaapstoornissen. Op basis daarvan worden mogelijke biologische mechanismen besproken die ook relevant zouden kunnen zijn voor long COVID.
Plantaardige voedingspatronen bevatten doorgaans minder verzadigd vet en arachidonzuur uit dierlijke producten, en zijn rijk aan vezels, antioxidanten en polyfenolen. Deze stoffen worden in andere contexten in verband gebracht met een gunstiger ontstekingsprofiel, betere metabole gezondheid en mogelijk ook effecten op hersen- en stressregulatie. De review suggereert dat een dergelijk voedingspatroon zou kunnen bijdragen aan vermindering van laaggradige ontsteking en ondersteuning van mentale en lichamelijke herstelprocessen.
Toch benadrukt de auteur dat er nog geen gerandomiseerde klinische studies zijn die een plantaardig dieet specifiek bij long COVID hebben onderzocht. De huidige argumentatie is vooral biologisch plausibel en gebaseerd op indirect bewijs. Confounders, zoals een gezondere leefstijl in het algemeen bij mensen die plantaardig eten, bemoeilijken harde conclusies.
De praktische boodschap is voorzichtig: een volwaardig, grotendeels plantaardig voedingspatroon kan een laagdrempelige en veilige leefstijlkeuze zijn binnen een bredere behandelstrategie, mits wordt gelet op voldoende inname van essentiële nutriënten zoals vitamine B12, ijzer en omega-3. Definitief bewijs uit goed opgezette klinische trials ontbreekt echter nog.
Bron: Narrative review over plantaardige voeding en long COVID, 2026.
Spieren en zenuwen blijven aangedaan na ernstige COVID
Een jaar na een ernstige COVID-19-infectie kampen veel mensen nog met uitgesproken vermoeidheid, spierzwakte en meetbare veranderingen in hun spier- en zenuwspierfunctie. Dat blijkt uit een Braziliaanse longitudinale studie waarin patiënten met een matig en ernstig ziekteverloop gedurende twaalf maanden werden gevolgd en vergeleken met een controlegroep zonder doorgemaakte COVID-19.
De onderzoekers maten niet alleen ervaren vermoeidheid via vragenlijsten, maar ook objectieve spierkracht, geleverd werk, spierstructuur (via echografie) en neuromusculaire prikkelbaarheid met elektrische testen. Vooral bij mensen die ernstig ziek waren geweest en in het ziekenhuis lagen, bleven duidelijke afwijkingen zichtbaar. Zij rapporteerden structureel hogere vermoeidheidsscores en leverden minder kracht en spierarbeid bij testen van de kniestrekkers. Ook in een eenvoudige functionele test – 30 seconden herhaald opstaan en gaan zitten – presteerde deze groep slechter dan zowel de matige COVID-groep als de controles.
Echografie liet bij de ernstig zieke groep aanwijzingen zien voor verminderde spierkwaliteit, mogelijk passend bij structurele veranderingen in het spierweefsel. Daarnaast wezen elektrofysiologische metingen op veranderde neuromusculaire prikkelbaarheid, wat suggereert dat niet alleen de spieren zelf, maar ook het samenspel tussen zenuw en spier blijvend kan zijn aangedaan.
Bij mensen met een matig ziekteverloop waren afwijkingen vooral in de vroege fase zichtbaar en herstelden zij vaker in de loop van het jaar. De studie onderstreept daarmee dat langdurige vermoeidheid na ernstige COVID niet louter subjectief is, maar samenhangt met meetbare veranderingen in spier- en zenuwspierfunctie. Dit pleit voor gerichte, op maat gemaakte revalidatieprogramma’s die rekening houden met individuele belastbaarheid en hersteltempo.
Bron: PLOS ONE, 2026. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0332242
Langdurige ontregeling van het autonome zenuwstelsel na COVID-19
Een grote Japanse studie onder meer dan zes miljoen volwassenen laat zien dat mensen na COVID-19 significant vaker starten met medicatie tegen autonome dysfunctie, zoals orthostatische hypotensie en POTS. Het risico op een eerste voorschrift was 36% hoger en bleef verhoogd tot meer dan een jaar na de infectie. Vooral ouderen, mannen en mensen met hart- en vaatziekten liepen extra risico.
De onderzoekers benadrukken dat COVID-19 mogelijk het autonome zenuwstelsel langdurig ontregelt, mede door ontsteking, auto-immuniteit en vaatveranderingen. Zij pleiten voor gerichte screening en nazorg bij COVID-overlevers, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen.
Bron: Miyamori D, Ito M. Impact of COVID-19 infection on subsequent prescriptions of autonomic dysfunction pharmacotherapy: a nationwide propensity-score-matched cohort study in Japan.
COVID-19 geeft bredere en zwaardere neurologische complicaties dan griep en dengue
Deze systematische review (PRISMA; PROSPERO: CRD420251064831) vergeleek neurologische complicaties bij COVID-19 met die bij andere virale infecties, vooral influenza en dengue. In zoekacties in PubMed/Medline, Scopus en Web of Science (2000–28 februari 2025) werden 24 studies geïncludeerd; door grote verschillen in opzet en rapportage kozen de auteurs voor een narratieve synthese. Over alle geïncludeerde studies heen laat COVID-19 de breedste en ernstigste neurologische betrokkenheid zien, met zowel centrale (CZS) als perifere (PZS) aandoeningen. Bij COVID-19 worden onder meer ischemische beroerte, encefalopathie/encefalitis, insulten en in fatale gevallen uitgebreide microgliale activatie en wittestofschade beschreven. Perifeer vallen vooral vroege en vaak opvallende zintuiglijke klachten op, zoals anosmie/olfactorische disfunctie, maar ook (demyeliniserende) neuropathieën, Guillain-Barré-syndroom (GBS), CIDP, functionele bewegingsstoornissen en afwijkingen bij zenuwgeleidingsonderzoek die ook na herstel kunnen aanhouden.
In vergelijking daarmee worden neurologische complicaties bij influenza minder vaak gemeld en betreffen ze vooral encefalitis/encefalopathie, insulten, meningitis, GBS of myelitis, doorgaans met lage sterfte. Dengue laat eveneens een spectrum zien van directe neurotrope effecten en immuun-gemedieerde syndromen, waaronder encefalitis, GBS, myelitis, brachiale neuritis en myositis; in de geïncludeerde studies herstellen de meeste patiënten en blijft de mortaliteit laag. De auteurs concluderen dat COVID-19 zich onderscheidt door zowel de breedte als ernst van neurologische manifestaties én door het persisteren van klachten bij een deel van de overlevenden. Daarom pleiten zij voor vroege neurologische evaluatie bij COVID-19, gestructureerde follow-up na herstel en meer consistente onderzoeksmethoden om virusinfecties beter onderling te kunnen vergelijken.
Bron (uitgebreid)
Bakare, I. S.; Olaiya, V. O.; Badero, O. J.; Okirie, C. F. (18 januari 2026). Neurological Complications Associated With COVID-19 Compared to Other Viral Infections: A Systematic Review of Current Evidence. Cureus, 18(1), e101817. https://doi.org/10.7759/cureus.101817
Verstoorde energiehuishouding zichtbaar bij Long COVID één jaar na IC-opname
Long COVID treft naar schatting 10–20% van de mensen na een SARS-CoV-2-infectie en gaat gepaard met aanhoudende klachten zoals dyspneu, cognitieve problemen en vermoeidheid. In deze studie werden 42 overlevenden van kritieke COVID-19 één jaar na ontslag uit het ziekenhuis onderzocht om langdurige metabole verstoringen in kaart te brengen. Met behulp van proton-NMR-spectroscopie en gaschromatografie-massaspectrometrie werden lipoproteïnen, lipiden, glycoproteïnen, laagmoleculaire metabolieten, intermediairen van de citroenzuurcyclus (TCA-cyclus) en markers van eiwitoxidatie gemeten. Univariate analyse liet zien dat patiënten met Long COVID verhoogde spiegels van alfa-ketoglutaraat (aKG) en verlaagde creatinespiegels hadden. De verhouding tussen aKG en creatine was eveneens verhoogd en liet een matig onderscheidend vermogen zien tussen patiënten met en zonder persisterende klachten.
Door toepassing van machine learning-technieken (Random Forest met Boruta en sparse Partial Least Squares) werd een negen-metabolietenprofiel geïdentificeerd dat patiënten met Long COVID nauwkeurig classificeerde (AUC 0,91). Dit profiel bestond uit aKG, carboxymethyl-cysteïne (CMC), carboxymethyl-lysine (CML), creatine, fumaraat, lactaat, LDL-partikelgrootte, 2-succinyl-cysteïne (2SC) en tyrosine, en wees vooral op verstoringen in mitochondriale energiehuishouding en oxidatieve stress. Verdere analyses toonden dat hogere aKG-waarden samenhingen met slechter fysiek functioneren, CMC en CML met cognitieve beperkingen, en lagere creatinespiegels met verminderde longdiffusiecapaciteit. De auteurs concluderen dat multilayer metabolomische integratie wijst op aanhoudende bio-energetische ontregeling bij Long COVID en dat deze metabole signatuur aanknopingspunten biedt voor diagnostiek en gerichte behandeling.
Bron: García-Hidalgo MC, Mota-Martorell N, González J, Benítez ID, Company-Marín I, Jové M, Barbé F, Amigó N, Pamplona R, de Gonzalo-Calvo D & Torres G. “Multilayer metabolomic integration reveals bioenergetic disruption in Long COVID.” Journal of Translational Medicine, 20 januari 2026, Volume 24, artikelnummer 237 (2026). Beschikbaar via: https://link.springer.com/article/10.1186/s12967-026-07684-3
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat mensen die een jaar na een ernstige COVID-19-infectie nog klachten hebben, meetbare afwijkingen in hun bloed kunnen hebben die passen bij een verstoorde energiehuishouding van het lichaam. Vooral stoffen die te maken hebben met energieproductie en “energiervoorraad” (zoals alfa-ketoglutaraat en creatine) en met oxidatieve stress verschillen tussen mensen met en zonder Long COVID. Dat betekent niet dat er al een simpele test of behandeling is, maar het wijst wél op een mogelijke biologische verklaring voor klachten zoals vermoeidheid, kortademigheid en concentratieproblemen en kan helpen om in de toekomst betere diagnostiek en gerichtere therapieën te ontwikkelen.
COVID-19 kan langdurig samenhangen met subtiele veranderingen in ontsteking en ademreflexen
In deze observationele cohortstudie onderzochten de auteurs of mensen die hersteld zijn van COVID-19 langdurige veranderingen vertonen in (1) de reflexmatige aansturing van de ademhaling bij koolzuur (CO₂) en zuurstoftekort (hypoxie) en (2) ontstekingsstoffen in het bloed. Tussen april 2022 en mei 2023 werden 118 volwassenen getest: 77 herstelden eerder van COVID-19 en 41 hadden nooit COVID-19 gehad. De onderzoekers maten baseline ademhalingspatronen en chemoreflexen met een aangepaste rebreathing-test (waarbij CO₂ geleidelijk stijgt onder hyperoxische en hypoxische omstandigheden) en namen bloed af voor uitgebreide biomarkerprofielen van antivirale en vasculaire ontstekingsmarkers. De controlegroep en herstelde groep verschilden niet wezenlijk in geslacht, leeftijd en BMI. Longfunctie (spirometrie) en rustademhaling bleken eveneens vergelijkbaar tussen groepen.
De belangrijkste bevindingen waren subtiel maar wijzen op langdurige samenhang tussen herstel van COVID-19, ontstekingsprofielen en ademregulatie. Bij herstelde deelnemers zagen de auteurs over tijd een kleine, progressieve daling van de ventilatoire respons op CO₂ wanneer dit werd gecombineerd met hypoxie, met een significant verschil tussen controles en de groep die 24 maanden na herstel werd gemeten. Daarnaast vonden ze verbanden tussen ontstekingsmarkers en chemoreflexkenmerken: hogere waarden van onder meer CRP en SAA hingen samen met een sterkere ventilatoire respons op hypoxie (in zowel herstelden als controles). Opvallend was ook dat zes vasculaire ontstekingsmarkers (Myoglobin, NGAL, MMP-2, OPN, IGFBP-4 en Cystatin C) juist lager waren bij herstelde deelnemers dan bij controles, tot maximaal ongeveer één jaar na herstel, waarna sommige markers richting baseline terugkeerden. De auteurs concluderen dat COVID-19 (en mogelijk andere acute virale infecties) een bescheiden maar meetbare invloed kan hebben op zowel systemische ontstekingsprofielen als de reflexmatige controle van de ademhaling, en dat deze twee domeinen met elkaar verbonden kunnen zijn—mogelijk relevant voor het beter begrijpen van long-COVID-klachten zoals aanhoudende kortademigheid en slaapgerelateerde ademhalingsproblemen.
Bron (uitgebreid):
Penuelas, V. L., Pham, K., Frost, S., Harahap-Carrillo, I. S., Vargas, A., Bergersen, K. V., He, Y., Nair, M. G., Kaul, M., & Heinrich, E. C. (21 januari 2026). Long-term impacts of COVID-19 on systemic inflammation and control of breathing reflexes: an observational cohort study. Respiratory Research, 27, artikel 70 (2026). Springer Nature (open access). Vindplaats: link.springer.com (artikelpagina): https://link.springer.com/article/10.1186/s12931-025-03473-6
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat mensen na COVID-19 gemiddeld geen duidelijke blijvende achteruitgang hebben in longfunctie of rustademhaling, maar wél kleine veranderingen kunnen vertonen in de “automatische” ademreacties op CO₂ en zuurstoftekort. Tegelijk verschuiven bepaalde ontstekingsstoffen in het bloed na herstel, soms zelfs naar lagere waarden dan bij mensen die geen COVID-19 hadden. Samen suggereert dit dat langdurige klachten na COVID-19 mogelijk niet alleen uit de longen zelf komen, maar ook te maken kunnen hebben met subtiele veranderingen in lichaamsontsteking en de zenuwregulatie van ademhaling.
Verstoord dag-nachtritme van cortisol bij long COVID
Een prospectieve case–controlstudie in een long-COVIDkliniek in Rome onderzocht of mensen met long COVID (LC) een verstoord dag-nachtritme van cortisol hebben, en of speekselcortisol (SC) daarvoor een betere maat is dan een eenmalige bloedmeting. In totaal werden 96 volwassenen onderzocht (gemiddelde leeftijd 58 jaar; 60% vrouw; allemaal wit), minimaal 28 dagen na een bevestigde SARS-CoV-2-infectie. Van hen hadden 83 deelnemers long COVID (80% matig, 20% ernstig) en 13 waren asymptomatisch na COVID (APC). Speekselcortisol werd thuis verzameld op vaste tijdstippen (08:00, 15:00 en 23:00). De studie keek primair naar het dagelijkse verloop van speekselcortisol en secundair naar andere hormonale, inflammatoire en stollingsmarkers.
Vergeleken met gezonde controles lieten zowel de LC- als de APC-groep een lager speekselcortisol in de ochtend zien, een afgevlakte dagcurve en relatief hogere avondwaarden, wat wijst op verlies van de normale ochtendpiek en nachtelijke daling. Bloedcortisol verschilde niet duidelijk tussen de groepen, maar LC-patiënten hadden wel hogere ACTH-waarden dan APC (mediaan 25–26 pg/mL versus 13 pg/mL; significant), passend bij een mogelijk compenserende activatie van de stress-as. Eén LC-patiënt (1,2%) bleek bij een ACTH-stimulatietest een afwijkende respons te hebben en kreeg de diagnose bijnierinsufficiëntie. De auteurs benadrukken dat de bevindingen exploratief zijn, onder meer door het kleine aantal gezonde controles en doordat slaap- en wektijden niet werden gestandaardiseerd, maar concluderen dat speekselcortisolprofilering een eenvoudige, niet-invasieve manier kan zijn om neuro-endocriene ontregeling na COVID-19 beter in beeld te brengen.
Redactionele conclusie:
Deze studie suggereert dat bij mensen na COVID-19—ook bij sommigen zonder klachten—het normale dag-nachtritme van het stresshormoon cortisol kan afvlakken: minder hoog in de ochtend en relatief hoger in de avond. Een gewone bloedmeting lijkt dit niet goed te laten zien, terwijl herhaalde speekselmetingen dat wel kunnen. Dat betekent niet dat cortisol dé oorzaak is van long COVID, maar het ondersteunt het idee dat ontregeling van het stress- en ritmesysteem bij (een deel van) de patiënten meespeelt en mogelijk samenhangt met ernstigere klachten.
Bron (uitgebreid):
Camici, M.; Franco, M.; Talamanca, L.; Petino, M.; Paulicelli, J.; Scarnecchia, L.; Ciavarella, L.; Orzilli, T.; Balducelli, F.; Mazzotta, V.; Mastrorosa, I.; Cimini, E.; Tartaglia, E.; Notari, S.; Maggi, F.; Girardi, E.; Baldelli, R.; Zuppi, P.; Antinori, A. Salivary cortisol in long COVID: a marker of broader stress system and circadian rhythm dysregulation. Frontiers in Cellular and Infection Microbiology, sectie Virus and Host, gepubliceerd 06 januari 2026 (Volume 15 – 2025). DOI: 10.3389/fcimb.2025.1690698. Vindplaats: Frontiers in Cellular and Infection Microbiology (online artikelpagina).
Na COVID-19 iets vaker afwijkende cholesterolwaarden en BMI bij kinderen
In deze retrospectieve cohortstudie uit de NIH RECOVER Initiative-database onderzochten de auteurs of kinderen en jongeren (0-21 jaar) na een vastgestelde SARS-CoV-2-infectie vaker nieuwe (incident) dyslipidemie of een afwijkende body mass index (BMI) ontwikkelen in de postacute fase (dag 28-179 na de indexdatum). De onderzoekers gebruikten elektronische patiëntendossiers (EHR) van 25 Amerikaanse kinderziekenhuizen/gezondheidsinstellingen (maart 2020–september 2023). Voor dyslipidemie werden 384.289 COVID-19-positieve patiënten vergeleken met 1.080.413 COVID-19-negatieve controles; voor BMI 285.559 COVID-19-positieve patiënten (2-21 jaar) met 817.315 controles. Patiënten met bestaande dyslipidemie of afwijkende BMI in de 24 maanden vóór de indexdatum werden uitgesloten. Dyslipidemie werd bepaald met leeftijdsspecifieke laboratoriumdrempels (o.a. totaal cholesterol, triglyceriden, LDL, HDL, non-HDL) en “abnormale BMI” met leeftijdsafhankelijke criteria (2-18 jaar: BMI z-score ≥95e percentiel; 19-21 jaar: BMI ≥30 kg/m²). De analyses corrigeerden uitgebreid voor verschillen tussen groepen via propensity-score-stratificatie en aangepaste Poisson-modellen, met aanvullende gevoeligheidsanalyses.
Tijdens de postacute periode waren de ruwe incidenties hoger in de COVID-19-positieve groep: samengestelde dyslipidemie (“elke afwijkende lipidwaarde”) 0,945% versus 0,691% bij controles, en abnormale BMI 5,954% versus 4,743%. Na correctie bleef het risico verhoogd: voor nieuwe samengestelde dyslipidemie was de adjusted relative risk (aRR) 1,23–1,24 (95% BI 1,18-1,29), en voor abnormale BMI aRR 1,15 (95% BI 1,12-1,18). Bij de afzonderlijke lipiden waren de grootste associaties te zien voor triglyceriden (aRR 1,28) en HDL (aRR 1,24), gevolgd door LDL (aRR 1,19) en totaal cholesterol (aRR 1,14); non-HDL liet geen statistisch significante toename zien. De bevindingen bleven overeind in verschillende gevoeligheids- en subgroepanalyses, waaronder calibratie met negatieve controle-uitkomsten en stratificatie naar obesitasstatus bij aanvang. De auteurs concluderen dat kinderen en adolescenten na een gedocumenteerde COVID-19-infectie in de vroege postacute fase een bescheiden maar consistent verhoogd risico hebben op nieuwe dyslipidemie en een afwijkende BMI, wat pleit voor metabole monitoring na infectie.
Bron (uitgebreid)
Lei, Y., Zhou, T., Zhang, B., … Forrest, C. B., Chen, Y., namens het RECOVER Consortium. Post-Acute Dyslipidemia and Abnormal Body Mass Index in Children and Adolescents with COVID-19: A Cohort Study from the RECOVER Initiative. The Journal of Pediatrics. Volledige tekst via JPeds: https://www.jpeds.com/article/S0022-3476(26)00024-7/fulltext
Redactionele conclusie:
Deze grote analyse van patiëntendossiers laat zien dat kinderen en jongeren in de maanden ná een COVID-19-infectie iets vaker nieuwe afwijkende cholesterolwaarden en een (nieuw) te hoge BMI krijgen dan vergelijkbare kinderen zonder geregistreerde infectie. Het gaat om relatief kleine verschillen per kind, maar omdat veel kinderen COVID-19 hebben doorgemaakt kan dit op bevolkingsniveau toch relevant zijn. Praktisch betekent dit: wees na COVID-19 alert op gewichtstoename en ongunstige bloedvetten, zeker bij kinderen die al kwetsbaar zijn, en overweeg gerichte controle en leefstijladvies in de nazorg.
Maart 2026
Deze nieuwsbrief is nog in ontwikkeling. Eind maart / begin april 2026 wordt de volgende, verder doorontwikkelde, nieuwsbrief gepubliceerd.