Knipselkrant met een bloemlezing van de laatste onderzoeksresultaten aangaande long covid / post covid
Bewegingstraining verandert RNA-signalen in bloedblaasjes bij long COVID
In deze pilotstudie onderzochten onderzoekers of mensen met long COVID in extracellulaire blaasjes (EV’s) in het bloed nog sporen van SARS-CoV-2-RNA meedragen, en of een trainingsprogramma van tien weken invloed heeft op de RNA-profielen van deze blaasjes. Veertien volwassenen met long COVID volgden twintig begeleide aerobe trainingssessies en werden vóór en na de trainingsperiode getest, zowel in rust als tijdens maximale inspanning. In de EV’s werden veel verschillende RNA-typen gevonden, maar geen virusgerelateerd RNA van SARS-CoV-2. Ook werden in rust geen significante verschillen gevonden tussen vóór en na de training. Dat wijst er volgens de auteurs op dat er in deze bloedmonsters geen aanwijzing was voor aanhoudende virale RNA-signalen in circulerende EV’s.
Na afloop van het trainingsprogramma veranderde het RNA-profiel van de EV’s wél duidelijk tijdens piekinspanning: er werden dan 53 verschillend tot expressie komende genen gevonden, waarvan er 50 lager en 3 hoger tot expressie kwamen. Veel van deze genen en bijbehorende signaalroutes hingen samen met ontsteking, afweer en stofwisseling. De onderzoekers beschrijven dat vooral ontstekings- en immuungerelateerde processen na training sterker werden onderdrukt tijdens inspanning. Tegelijk verbeterden ook de inspanningsmaten, zoals de piekzuurstofopname en het geleverde vermogen. De auteurs concluderen dat training de rusttoestand van de EV-RNA-profielen nauwelijks veranderde, maar wel het vermogen van het lichaam vergrootte om tijdens fysieke belasting een dynamische, mogelijk gunstige moleculaire respons op te roepen.
Bron
Abbasi, Asghar; Hansen, Nathaniel; Palade, Joanna; Paredes, Dorothy; Meechoovet, Bessie; Van Keuren-Jensen, Kendall; Pirrotte, Patrick; Stringer, William W. “Serum extracellular vesicle RNA profiles in long COVID: insights from exercise-induced gene modulation.” Scientific Reports, volume 16, artikelnummer 3469, 2026. Gepubliceerd op de website van Nature / Scientific Reports. Vindplaats: Nature.com, artikelpagina behorend bij Scientific Reports: s41598-025-23760-y.
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat er in het bloed van deze kleine groep long-COVID-patiënten geen SARS-CoV-2-RNA werd teruggevonden in extracellulaire blaasjes. Wel lijkt een begeleid trainingsprogramma de reactie van het lichaam op inspanning te veranderen, vooral in de richting van minder ontstekings- en afweersignalen. Voor leken betekent dit: bewegen lijkt long COVID niet te “genezen”, maar kan mogelijk wel helpen doordat het lichaam tijdens inspanning rustiger en beter gereguleerd reageert. Omdat het om een kleine pilotstudie zonder controlegroep gaat, zijn grotere vervolgstudies nodig om te bevestigen hoe belangrijk deze bevindingen werkelijk zijn.
Tijdelijke vertraging in reactietijd na COVID-19 en de rol van “brain fog”
Deze studie onderzocht de relatie tussen COVID-19, cognitieve klachten zoals “brain fog”, en reactietijd als objectieve maat voor cognitieve verwerking. In totaal namen 599 volwassenen uit Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Servië deel aan het onderzoek, waarvan 299 eerder COVID-19 hadden doorgemaakt. De deelnemers voerden eenvoudige en complexe reactietijdtesten uit via een computerprogramma en vulden daarnaast een vragenlijst in over cognitieve klachten. Ongeveer 44% van de deelnemers die COVID-19 hadden gehad rapporteerde brain fog na hun laatste infectie. De klachten kwamen even vaak voor bij mannen als bij vrouwen, maar mannen gaven vaker aan dat de klachten hun dagelijks functioneren meer hinderden.
De metingen van reactietijd lieten zien dat cognitieve verwerking tijdelijk kan vertragen na een COVID-19-infectie. De vertraging bereikte een piek ongeveer 15 weken na herstel en verbeterde daarna geleidelijk, waarbij de reactietijd rond zes maanden weer vergelijkbaar werd met die van mensen die geen COVID-19 hadden gehad. Op groepsniveau werd geen blijvend verschil gevonden in reactietijd tussen mensen met en zonder COVID-19-geschiedenis. Opvallend was dat de aanwezigheid van brain fog niet altijd samenhing met objectief gemeten tragere reactietijden. Dit wijst erop dat subjectieve cognitieve klachten en meetbare cognitieve prestaties deels verschillende aspecten van herstel na COVID-19 weerspiegelen.
Bron:
Lesac Brizić, A.; Popović, B.; Zavidić, T.; Todorović, N.; Petrović, V.; Pilipović-Broćeta, N.; Miljković, A.R.; Ljubotina, A.; Dejhalla, E. Long-Term Health Consequences of SARS-CoV-2: Reaction Time and Brain Fog. Neurology International, 2026, 18(1), artikel 6. Beschikbaar via: https://www.mdpi.com/2035-8377/18/1/6
Redactionele conclusie:
Dit onderzoek suggereert dat COVID-19 tijdelijk invloed kan hebben op de snelheid waarmee de hersenen informatie verwerken. De grootste vertraging treedt gemiddeld enkele maanden na de infectie op, maar herstelt meestal binnen een half jaar. Hoewel veel mensen brain fog ervaren, komt dit niet altijd overeen met objectief meetbare cognitieve vertraging. Voor artsen kan een eenvoudige reactietijdtest een nuttig hulpmiddel zijn om subtiele cognitieve veranderingen na COVID-19 te volgen.
De nervus vagus als mogelijke sleutel tussen brein, immuunsysteem en gezondheid
De nervus vagus is de langste hersenzenuw in het menselijk lichaam en loopt van de hersenstam naar organen zoals hart, longen en darmen. Via dit uitgebreide netwerk regelt de zenuw belangrijke functies zoals hartslag, spijsvertering en ontstekingsreacties. Ongeveer tachtig procent van de zenuwvezels brengt signalen van het lichaam naar de hersenen, terwijl de rest signalen vanuit de hersenen naar organen stuurt. Al decennia wordt onderzocht of elektrische stimulatie van deze zenuw – vagus nerve stimulation (VNS) – therapeutische effecten kan hebben. Deze techniek werd oorspronkelijk ontwikkeld voor moeilijk behandelbare epilepsie en wordt inmiddels ook onderzocht voor aandoeningen zoals depressie, migraine, ontstekingsziekten en mogelijk long COVID. Tegenwoordig bestaan er zowel geïmplanteerde apparaten als niet-invasieve methoden waarbij stimulatie via de huid of het oor plaatsvindt.
Onderzoek suggereert dat stimulatie van de nervus vagus invloed kan hebben op meerdere biologische systemen tegelijk. Zo kan VNS hersengebieden beïnvloeden die betrokken zijn bij emoties en motivatie, en kan het de balans van neurotransmitters zoals dopamine en serotonine veranderen. Daarnaast kan de zenuw een rol spelen in de zogenoemde “cholinergische anti-inflammatoire reflex”, waarbij signalen via de zenuw de productie van ontstekingsstoffen in het lichaam kunnen remmen. Klinische studies laten echter wisselende resultaten zien: sommige patiënten ervaren duidelijke verbetering van klachten, bijvoorbeeld bij therapieresistente depressie, terwijl anderen nauwelijks verschil merken of vergelijkbare effecten vertonen als bij placebo-behandeling. Daardoor blijft het onduidelijk welke patiënten het meest baat hebben bij deze therapie en welke stimulatie-parameters optimaal zijn.
Bron:
Förster, C.Y. & Shityakov, S. A Possible Role for the Vagus Nerve in Physical and Mental Health. Biomolecules, 2026, 16(1), artikel 121. Department of Anaesthesiology, Intensive Care, Emergency and Pain Medicine, University of Würzburg (Duitsland) en Laboratory of Chemoinformatics, ITMO University, Saint Petersburg (Rusland). Gepubliceerd 12 januari 2026. Beschikbaar via: https://www.mdpi.com/2218-273X/16/1/121
Redactionele conclusie:
Onderzoek naar de nervus vagus laat zien hoe sterk het zenuwstelsel, het immuunsysteem en de hersenen met elkaar verbonden zijn. Het stimuleren van deze zenuw kan mogelijk helpen bij verschillende moeilijk behandelbare aandoeningen, maar de resultaten zijn nog wisselend en niet altijd overtuigend. Verdere studies moeten uitwijzen welke patiënten werkelijk profiteren en hoe de techniek het best kan worden toegepast. De nervus vagus lijkt daarmee een veelbelovend, maar nog niet volledig begrepen therapeutisch doelwit.
Tachycardie bij long COVID komt vaker voor in rust dan bij intensievere activiteit
Mensen met een post-COVID-19-conditie (PCC, vaak long COVID genoemd) melden vaak een verhoogde hartslag (tachycardie) tijdens lichte inspanning of zelfs in rust. In deze observationele studie werd onderzocht hoe hartslag samenhangt met fysieke activiteit bij 16 volwassenen met PCC. De deelnemers droegen vier dagen lang een smartwatch om hun hartslag te meten en een accelerometer om hun fysieke activiteit te registreren. De gemiddelde leeftijd was 51 jaar en het merendeel was vrouw. Uit de metingen bleek dat hun dagelijkse activiteit laag was: gemiddeld liepen zij ongeveer 3.500 stappen per dag, wat wijst op een sedentair leefpatroon. Veel deelnemers hadden daarnaast symptomen die passen bij myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CFS).
De resultaten lieten zien dat de gemiddelde hartslag weliswaar stijgt naarmate de intensiteit van lichamelijke activiteit toeneemt, maar dat de tijd die mensen in tachycardie doorbrengen juist groter was tijdens sedentair gedrag dan tijdens matig tot intensief bewegen. Met andere woorden: patiënten hadden relatief vaker een abnormaal hoge hartslag wanneer ze weinig of niet actief waren. Dit kan wijzen op verstoringen van het autonome zenuwstelsel, zoals posturaal orthostatisch tachycardiesyndroom (POTS) of andere vormen van dysautonomie. De bevindingen suggereren dat het volgen van hartslag en activiteit met draagbare apparaten nuttig kan zijn om revalidatieprogramma’s voor mensen met long COVID beter af te stemmen.
Bron:
Adodo, R., Sarmento da Nobrega, A., Villar, R., Webber, S. C., & Sanchez-Ramirez, D. C. Associations between heart rate and physical activity in people with post-COVID-19 condition accounting for Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome symptoms. Journal of Rehabilitation Medicine, 2026, 58: jrm43340. Gepubliceerd 27 januari 2026. DOI: 10.2340/jrm.v58.43340.
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat mensen met long COVID opvallend vaak een verhoogde hartslag hebben terwijl ze weinig doen. Dat wijst mogelijk op ontregeling van het autonome zenuwstelsel, een probleem dat vaker bij long COVID wordt gezien. Tegelijk toont het onderzoek dat lichamelijke activiteit niet automatisch tot meer tachycardie leidt. Voor patiënten en zorgverleners betekent dit dat beweging voorzichtig en individueel moet worden opgebouwd, waarbij monitoring van de hartslag kan helpen om overbelasting te voorkomen.
Plankoefeningen bij long COVID verlagen vermoeidheid en verbeteren ervaren gezondheid
In deze pilotstudie werd onderzocht of een twaalf weken durend oefenprogramma met rompstabilisatie en plankoefeningen vermoeidheid en kwaliteit van leven kan verbeteren bij vrouwen met long COVID. Aan het onderzoek deden 39 vrouwen mee met langdurige klachten, vooral vermoeidheid, gemiddeld bijna twintig maanden na infectie. Twintig deelnemers volgden twee keer per week een begeleid, niet-aeroob oefenprogramma van zestig minuten, terwijl negentien deelnemers hun gebruikelijke dagelijkse activiteiten aanhielden. De interventie was gericht op motorische controle, spieraansturing en stabilisatie van de romp, met oefeningen in rugligging en onder toezicht van fysiotherapeuten, mede om overbelasting en post-exertionele verergering van klachten te voorkomen.
Na twaalf weken liet de interventiegroep duidelijke verbeteringen zien in de lichamelijke en psychosociale onderdelen van de Modified Fatigue Impact Scale (MFIS), evenals in de zelfbeoordeelde gezondheid op de EQ-VAS. Er waren geen significante veranderingen in lichaamsgewicht, vetmassa, spiermassa of lichaamswater, wat erop wijst dat de winst vooral samenhing met neuromusculaire aanpassingen en verbeterde motorische controle, en niet met veranderingen in lichaamssamenstelling. De auteurs concluderen dat een kernspiergericht, niet-aeroob oefenprogramma een veilige en haalbare revalidatiestrategie kan zijn voor vrouwen met long COVID, vooral voor patiënten bij wie inspanningstoename klachten kan uitlokken. Tegelijk benadrukken zij dat de resultaten voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd vanwege de kleine onderzoeksgroep, het ontbreken van randomisatie en het feit dat alleen vrouwen werden onderzocht.
Bron
“From Exhaustion to Empowerment: A Pilot Study on Motor Control-Based Exercise for Fatigue and Quality of Life in Long COVID-19 Patients”, auteurs in de aangeleverde tekst slechts gedeeltelijk weergegeven; uit de auteursbijdragen blijken onder meer S. L.-V., C. J.-A., R. M.-F., C. M.-F. en D. V.-D. betrokken. Gepubliceerd in Medicina (2026), jaargang 62, nummer 1, artikel 210. DOI: 10.3390/medicina62010210. Vindplaats: MDPI, via de door u aangeleverde publicatiepagina: mdpi.com/1648-9144/62/1/210.
Redactionele conclusie:**
Deze studie laat zien dat zorgvuldig opgebouwde, niet-aerobe oefeningen mogelijk kunnen helpen bij long COVID, vooral bij vermoeidheid en het dagelijks functioneren. Opvallend is dat de verbetering niet zat in meer spiermassa of gewichtsverlies, maar waarschijnlijk in betere controle van het lichaam en een hogere belastbaarheid. Omdat het om een kleine pilotstudie zonder loting gaat, zijn de uitkomsten vooral veelbelovend en nog niet definitief bewezen.
Betrouwbare meting van ‘brain fog’ bij post-COVID-patiënten
Dit onderzoek richt zich op het vertalen en valideren van de Brain Fog Scale (BFS) voor een Grieks-sprekende populatie, en op het vergelijken van hersenmistklachten tussen mensen met en zonder post-COVID-19 conditie (PCC). Brain fog wordt beschreven als een verzamelterm voor cognitieve klachten zoals geheugenproblemen, concentratieverlies en mentale vermoeidheid. Omdat er geen duidelijke biologische markers bestaan voor deze klachten, zijn betrouwbare zelfrapportage-instrumenten essentieel. In deze studie werd de BFS via een zorgvuldig vertaalproces aangepast en vervolgens getest bij 602 deelnemers. De schaal bleek een sterke interne consistentie te hebben en behield grotendeels de oorspronkelijke driedelige structuur: verminderde cognitieve scherpte, onoplettendheid en mentale uitputting.
De resultaten laten zien dat deelnemers met een PCC-diagnose significant meer brain fog-symptomen rapporteerden dan deelnemers zonder PCC. Vooral klachten die vallen onder ‘verminderde cognitieve scherpte’, zoals moeite met helder denken en geheugenproblemen, kwamen vaker voor bij deze groep. De andere twee dimensies – onoplettendheid en mentale uitputting – verschilden niet significant tussen de groepen. De studie benadrukt dat de BFS een valide en bruikbaar instrument is voor zowel onderzoek als klinische praktijk, met name voor het ontwikkelen van gepersonaliseerde revalidatieprogramma’s voor mensen met langdurige COVID-klachten.
Bron:
“Brain fog symptoms in individuals with and without post COVID-19 condition: translation and validation of the brain fog scale” – Maria Loizidou, Ioulia Solomou, Flora Nikolaou, Fofi Constantinidou. Gepubliceerd in Frontiers in Psychiatry, 6 maart 2026, Volume 17. Beschikbaar via: https://doi.org/10.3389/fpsyt.2026.1681452
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat ‘brain fog’ een meetbaar en serieus probleem is bij mensen met langdurige COVID-klachten, vooral als het gaat om cognitieve problemen zoals geheugen en concentratie. De nieuwe Griekse versie van de meetschaal blijkt betrouwbaar en kan artsen helpen om klachten beter in kaart te brengen. Voor patiënten betekent dit dat hun klachten serieuzer en gerichter behandeld kunnen worden, ook al is de precieze oorzaak nog niet volledig duidelijk.
Long COVID als gevolg van ontspoorde immuunafweer
Post-acute sequelae van COVID-19 (PASC), ook wel Long COVID genoemd, wordt in dit artikel beschreven als een aandoening waarbij het aangeboren immuunsysteem er niet in slaagt om ontstekingen correct af te ronden. In plaats van een blijvende virusinfectie, ligt de kern volgens de auteurs in een voortdurende activatie van het immuunsysteem door verschillende prikkels. Restanten van SARS-CoV-2, lichaamseigen alarmsignalen (DAMPs), hergeactiveerde latente virussen en producten van de microbiota blijven het immuunsysteem stimuleren. Tegelijkertijd faalt het lichaam in het activeren van mechanismen die normaal gesproken ontstekingen beëindigen, zoals gespecialiseerde pro-resolving mediatoren (SPMs) en het opruimen van beschadigde cellen (efferocytose). Hierdoor blijft een chronische ontstekingsreactie bestaan.
Deze voortdurende activatie leidt tot langdurige veranderingen in immuuncellen, waarbij het afweersysteem als het ware “geherprogrammeerd” raakt (trained immunity). Dit resulteert in een ontregelde immuunreactie die zichzelf in stand houdt. Daarnaast ontstaan verschillende ziektebeelden (endotypes), zoals een trombo-inflammatoir type (met stollingsproblemen), een interferon-gedreven type en een neuro-inflammatoir type (met hersenklachten zoals brain fog). De auteurs benadrukken dat ook verstoringen in de mond-, neus- en darmmicrobiota een belangrijke rol spelen bij het in stand houden van deze ontsteking. Samen vormen deze processen een zelfversterkend netwerk dat herstel belemmert en de uiteenlopende klachten van Long COVID verklaart.
Bron:
“Post-acute sequelae of COVID-19: A disorder of impaired innate immune resolution – A narrative review”
Mahd Rauf, Ahsan Naveed, Muhammad Umer Asghar
Gepubliceerd in: Cellular Immunology (2026)
DOI: https://doi.org/10.1016/j.clim.2026.110701
Beschikbaar via: ScienceDirect (https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1521661626000392)
Redactionele conclusie:
Dit artikel laat zien dat Long COVID waarschijnlijk niet wordt veroorzaakt door één enkele factor, maar door een complex samenspel van een ontregeld immuunsysteem dat niet meer “uit” gaat. Het lichaam blijft in een soort alarmstand hangen, waardoor herstel uitblijft en klachten blijven bestaan. Voor patiënten betekent dit dat behandeling mogelijk moet focussen op het herstellen van balans in het immuunsysteem, in plaats van alleen het onderdrukken van ontsteking.
Long COVID vraagt om een aanpak als volksgezondheidsprobleem
Post-COVID-19 condition (PCC), ook wel Long COVID genoemd, wordt in het artikel beschreven als een ernstige langetermijngezondheidszorgkwestie die in het Verenigd Koninkrijk ten minste 1,9 miljoen mensen treft. De aandoening begint meestal na een COVID-19-infectie en houdt ten minste drie maanden aan. Volgens de auteurs beperkt Long COVID voor veel mensen het dagelijks functioneren, waaronder werk, huishoudelijke taken en sociale deelname, en is de ziektelast extra groot bij minderheidsgroepen en sociaaleconomisch kwetsbare groepen. Daarom stellen zij dat Long COVID niet alleen als individueel gezondheidsprobleem moet worden gezien, maar ook als een aanhoudende uitdaging voor de volksgezondheid, met gevolgen voor individuen, de zorg en de economie.
De auteurs bepleiten daarom een brede publieke aanpak gebaseerd op preventie, gezondheidsbevordering en bescherming. Preventie moet volgens hen gericht zijn op het terugdringen van COVID-19-besmettingen en daarmee ook van Long COVID, onder meer via voorlichting over ventilatie, mondmaskers, quarantaine en vaccinatie. Daarnaast is betere gezondheidsvoorlichting nodig over de symptomen van Long COVID, zelfmanagement en de weg naar hulp en ondersteuning, juist omdat veel mensen niet meer testen en hun klachten mogelijk niet herkennen. Ten slotte benadrukt het artikel dat bescherming nodig blijft, vooral voor zorgmedewerkers, ouderen en andere kwetsbare groepen, onder meer via vaccins, goede persoonlijke beschermingsmiddelen en eerlijke toegang tot zorg en actieve opsporing van patiënten in risicogroepen.
Bron: Allen, AJ, en Ward, M. Long COVID should be a public health concern. Perspectives in Public Health, OnlineFirst, voor het eerst online gepubliceerd op 18 maart 2026. Vindplaats: SAGE Journals. DOI: 10.1177/17579139261429368.
Redactionele conclusie:
Dit artikel maakt duidelijk dat Long COVID geen restprobleem van de pandemie is, maar een blijvende maatschappelijke opgave. Zolang het coronavirus blijft circuleren, blijft ook het risico op langdurige klachten bestaan. Voor leken is de kern eenvoudig: besmettingen voorkomen, klachten eerder herkennen en kwetsbare groepen beter beschermen zijn noodzakelijk om verdere gezondheidsschade en ongelijkheid te beperken.
Aanhoudend verhoogd prostaglandine E2 als mogelijke verklaring voor long COVID
In dit hypotheseartikel stellen Vjera Ramer en Gert A. van Montfrans dat een langdurig verhoogde activiteit van prostaglandine E2 (PGE2) een overkoepelende verklaring kan bieden voor de uiteenlopende klachten van long COVID. PGE2 is een centrale ontstekingsmediator die tijdens een acute SARS-CoV-2-infectie sterk kan stijgen en via vier receptoren (EP1 tot en met EP4) uiteenlopende effecten heeft op onder meer het immuunsysteem, het zenuwstelsel, de bloeddruk, de glucoseregulatie en de mitochondriën. Volgens de auteurs kan een ontregeling van deze PGE2-signaalroutes na de acute infectie blijven bestaan, ook nadat het virus is verdwenen. Zij veronderstellen dat verschillen tussen patiënten in de activiteit van met name de EP3-receptor kunnen helpen verklaren waarom sommigen een ernstig acuut ziektebeeld hadden en anderen juist een milde infectie, maar later toch long COVID ontwikkelden.
De auteurs werken daarnaast de gedachte uit dat langdurig verhoogd PGE2 de werking van meerdere hormonen en signaalstoffen tegelijk kan tegenwerken, waaronder vasopressine, insuline, leptine, dopamine en serotonine. Dit noemen zij een toestand van “hormonale multiresistentie”, waarin verstoringen van homeostatische regelmechanismen elkaar blijven versterken en zo de PGE2-productie hoog houden. Vanuit dat model proberen zij uiteenlopende aspecten van long COVID — zoals autonome ontregeling, cognitieve klachten, pijn, vermoeidheid, immuunveranderingen en stofwisselingsproblemen — in één raamwerk onder te brengen. De auteurs benadrukken wel dat het om een toetsbare hypothese gaat: veel verbanden zijn afgeleid uit eerder onderzoek binnen en buiten de context van long COVID, en systematische bevestiging bij patiënten is nog nodig.
Bron
Ramer, V., & Van Montfrans, G. A. Persistent prostaglandin E2 upregulation and hormonal multi-resistance: A hypothesis for long COVID. Biochemistry and Biophysics Reports (2026), artikelnummer 102518. Vindplaats: ScienceDirect / Elsevier. DOI: 10.1016/j.bbrep.2026.102518.
Redactionele conclusie:
Dit artikel presenteert geen bewezen verklaring, maar een breed uitgewerkte hypothese die veel losse bevindingen over long COVID met elkaar probeert te verbinden. Voor leken is vooral van belang dat de auteurs denken dat een langdurig ontregelde ontstekingsstof mogelijk meerdere lichaamsfuncties tegelijk kan verstoren. Dat maakt het een interessante denkrichting, maar pas toekomstig onderzoek moet uitwijzen of deze verklaring daadwerkelijk klopt.
Extracellulaire blaasjes leveren mogelijke biomarkers op voor postinfectieuze ME/cvs
Onderzoekers van Charité-Universitätsmedizin Berlin hebben in bloedplasma van vrouwelijke patiënten met postinfectieuze ME/cvs gekeken naar extracellulaire vesikels (EV’s): kleine membraanblaasjes die eiwitten en microRNA’s vervoeren en mogelijk ziekte-specifieke signalen bevatten. Zij vergeleken vrouwen met ME/cvs na COVID-19 met vrouwen met ME/cvs na andere infecties, plus gezonde controlegroepen. De EV’s bleken qua vorm, grootte en oppervlaktemarkers grotendeels vergelijkbaar tussen patiënten en controles, maar analyse van de inhoud liet wel verschillen zien. Bij de groep met postinfectieuze ME/cvs na andere infecties werden vooral de eiwitten ALS/IGFALS en HBA verhoogd gevonden. Dat wijst erop dat verschillende infectieuze aanleidingen mogelijk tot verschillende biomarkerprofielen leiden.
Bij de groep met ME/cvs na COVID-19 kwam vooral één microRNA naar voren: hsa-let-7b-5p. Dit microRNA was significant verlaagd in EV’s van patiënten vergeleken met gezonde controles. Bovendien hing een lagere expressie samen met slechter lichamelijk functioneren en ernstigere klachten zoals vermoeidheid, spier- en gewrichtspijn en immuunverschijnselen. Volgens de auteurs maakt dit hsa-let-7b-5p tot een veelbelovende kandidaat als diagnostische en mogelijk ook pathofysiologische marker voor COVID-geassocieerde ME/cvs. Tegelijk benadrukken zij dat het om een verkennende studie met kleine patiëntengroepen gaat en dat grotere, goed gekarakteriseerde cohorten nodig zijn om deze bevindingen te bevestigen.
Bron: International Journal of Molecular Sciences (2026), “Extracellular Vesicle Protein and miRNA Signatures in Post-Infectious ME/CFS: Novel Candidate Biomarkers for Diagnosis and Stratification”, auteurs: J. [eerste auteur in aangeleverde tekst niet volledig zichtbaar], Fiona F. Douglas, Carl Schwarzburg, Diana Boristowski, Anne Birke, Oliver Klein, Franziska Sotzny, Kerstin Rubarth, Lara Windzio, Christien M. Beez, Claudia Kedor Peters, Kirsten Wittke, Carmen Scheibenbogen en Anna Greco. Gepubliceerd op 28 februari 2026 in International Journal of Molecular Sciences, 27(5): 2314. Vindplaats: MDPI, DOI: https://doi.org/10.3390/ijms27052314 en https://www.mdpi.com/1422-0067/27/5/2314
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat er in het bloed van mensen met ME/cvs na een infectie meetbare biologische verschillen te vinden zijn, maar ook dat die verschillen niet voor alle patiënten hetzelfde zijn. Vooral het verlaagde microRNA hsa-let-7b-5p bij ME/cvs na COVID-19 lijkt interessant, omdat het samenhangt met de ernst van de klachten. Voor patiënten is dit hoopgevend, omdat het onderzoek bijdraagt aan objectievere diagnostiek, maar het is nog te vroeg om deze markers al in de gewone zorg toe te passen.
Variaties van het coronavirus en hun rol bij long COVID
Deze narratieve review beschrijft hoe het SARS-CoV-2-virus zich sinds het begin van de pandemie voortdurend heeft ontwikkeld in verschillende varianten, zoals Alpha, Delta en Omicron, en onderzoekt in hoeverre deze varianten samenhangen met het ontstaan en verloop van long COVID. Long COVID wordt gekenmerkt als een multisysteemziekte met uiteenlopende symptomen, waaronder vermoeidheid, kortademigheid, spierpijn en cognitieve klachten. Wereldwijd treft deze aandoening naar schatting minstens 10% van de geïnfecteerde personen. Risicofactoren zijn onder meer hogere leeftijd, vrouwelijke sekse, comorbiditeiten en ernst van de acute infectie. De auteurs benadrukken dat SARS-CoV-2 via de ACE2-receptor meerdere organen kan aantasten, wat het brede scala aan klachten bij long COVID verklaart.
De review laat zien dat verschillende virusvarianten mogelijk leiden tot verschillen in ernst en aard van long COVID. Zo lijkt de Omicron-variant samen te hangen met een lagere prevalentie en mildere klachten dan eerdere varianten zoals Delta. Tegelijk blijven veel symptomen – zoals vermoeidheid – variant-overstijgend. Mogelijke verklaringen voor verschillen liggen in variaties in virulentie, virale lading en immuunreacties, waaronder aanhoudende ontsteking en auto-immuniteit. Behandeling van long COVID is momenteel vooral symptomatisch en omvat antivirale middelen, ontstekingsremmers, vaccinatie en fysiotherapie. Vaccinatie vóór infectie verlaagt het risico op long COVID, terwijl fysieke revalidatie kan bijdragen aan herstel en kwaliteit van leven.
Bron: A narrative review of SARS-CoV-2 variants and long COVID, Xinhua Chai, Haoxiang Qi, Xinze Liu, Feng Zhou, Yuli Jiang, Mengdi Wu, Silu Lian, Lumeng Wang, Yongxia Bao. Gepubliceerd in Journal of Thoracic Disease, 25 februari 2026. Beschikbaar via: https://jtd.amegroups.org/article/view/112969/html
Redactionele conclusie:
Deze review maakt duidelijk dat long COVID een complex en veelzijdig ziektebeeld is, waarbij verschillende virusvarianten mogelijk invloed hebben op de ernst en aard van klachten. Hoewel sommige varianten, zoals Omicron, mildere langetermijneffecten lijken te geven, blijft long COVID een groot gezondheidsprobleem. Voor patiënten betekent dit dat goede nazorg, vaccinatie en persoonlijke behandelstrategieën belangrijk zijn, terwijl verder onderzoek nodig is om de precieze oorzaken en beste behandelingen beter te begrijpen.
Ervaringen met micro-keuze revalidatie bij long covid
Een kwalitatieve studie met focusgroepen onderzocht hoe mensen met long covid een driedaags revalidatieprogramma gebaseerd op “micro-keuzes” ervaarden. In dit programma leren deelnemers niet hun symptomen centraal te stellen, maar kleine dagelijkse gedragskeuzes te maken die hun functioneren verbeteren. Deelnemers gaven aan dat erkenning van hun klachten, duidelijke uitleg over lichamelijke stressreacties en begeleiding door een interdisciplinair team hen hielpen om angst en onzekerheid te verminderen. Het contact met lotgenoten speelde eveneens een belangrijke rol: het delen van ervaringen gaf steun, motivatie en het gevoel niet alleen te staan.
De deelnemers rapporteerden dat zij door het programma beter begrepen hoe hun lichaam reageert en hoe zij met klachten kunnen omgaan door alternatieve keuzes te maken in het dagelijks leven. Dit hielp hen om actiever te worden en oude vermijdingspatronen te doorbreken. Tegelijkertijd bleek het volhouden van gedragsverandering lastig: het vraagt voortdurende inzet en ondersteuning, zeker wanneer dagelijkse verplichtingen toenemen. Ondanks deze uitdagingen zagen de meeste deelnemers geleidelijke verbeteringen in hun functioneren en ervaarden zij meer regie over hun herstelproces.
Bron:
Exploring experiences following participation in a concentrated micro-choice-based rehabilitation programme for long covid: a focus group study
Auteurs: Kiri Lovise Njøten, Liv Heide Magnussen, Anne Haugstvedt, Marte Jürgensen, Gerd Kvale, Bente Frisk
Gepubliceerd in: BMJ Open
Vindplaats: https://doi.org/10.1136/bmjopen-2025-105215
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat een revalidatieaanpak gericht op kleine, bewuste gedragskeuzes mensen met long covid kan helpen om beter met hun klachten om te gaan en hun dagelijks functioneren te verbeteren. Belangrijk is dat patiënten zich gehoord voelen, inzicht krijgen in hun klachten en actief betrokken worden bij hun herstel. Tegelijk maakt het onderzoek duidelijk dat blijvende verbetering tijd en ondersteuning vraagt, en dat nazorg essentieel is om behaalde vooruitgang vast te houden.
IgG uit long-covidpatiënten wekt in muizen pijnachtig gedrag op
In deze studie onderzochten de auteurs of antistoffen uit het bloed van mensen met long covid zelf kunnen bijdragen aan ziekteverschijnselen. Daartoe zuiverden zij IgG uit plasma van 34 patiënten met long covid en dienden dit toe aan muizen. De patiënten waren onderverdeeld in drie subgroepen op basis van biomarkers zoals GFAP, NFL en interferon-β. Na toediening ontwikkelden de muizen die IgG van long-covidpatiënten kregen een duidelijke en aanhoudende mechanische overgevoeligheid, gemeten met pijngevoeligheidstests. Vooral IgG uit de subgroepen LC-1 en LC-3 veroorzaakte deze verhoogde gevoeligheid. Daarnaast liet IgG uit de LC-2-groep een bescheiden, tijdelijke afname van de locomotorische activiteit zien. De onderzoekers vonden geen aanwijzingen voor systemische ontsteking bij de muizen, maar wel dat het overgedragen humane IgG verschillende weefsels bereikte.
Vervolgens bekeken de auteurs of deze bevindingen in de tijd stabiel bleven. Bij een deel van dezelfde patiënten werden twee jaar later opnieuw bloedmonsters afgenomen. Ook in deze follow-up bleven bepaalde biomarkers en autoantilichaamprofielen aanwezig, en ook dit later verzamelde IgG veroorzaakte opnieuw mechanische overgevoeligheid in muizen. Proteoom-brede profilering liet zien dat de autoantilichamen per subgroep verschilden en over langere tijd konden persisteren. Volgens de auteurs ondersteunt dit de gedachte dat autoantilichamen in elk geval bij een deel van de mensen met long covid een oorzakelijke rol spelen in de ontstaanswijze van de aandoening. Tegelijk benadrukken zij dat het onderzoek beperkingen heeft, zoals de relatief kleine, enkelvoudige cohortopzet en het gebruik van gepoold IgG, waardoor vervolgonderzoek nodig blijft.
Bron:
Chen, H.-J., Appelman, B., Willemen, H.L.D.M., Bos, A., Prado, J., Mak, W.A., Keijzer, N., Silva Santos Ribeiro, P., Vieira Goncalves, S., Versteeg, S., Geyer, C.E., Larsen, M., Schüchner, E., Bomers, M.K., Lavell, A.H.A., Amsterdam UMC COVID-19 biobank, Charlton, B., Wüst, R., Wiersinga, W.J., Van Vugt, M., … den Dunnen, J. “Transfer of IgG from long COVID patients induces symptomology in mice.” Cell Reports Medicine (2026), artikelnummer 102693. Vindplaats: ScienceDirect / Cell Reports Medicine, DOI: 10.1016/j.xcrm.2026.102693.
Redactionele conclusie:
Dit onderzoek laat zien dat antistoffen uit het bloed van mensen met long covid bij muizen klachten kunnen oproepen die lijken op pijn- en gevoeligheidsproblemen. Dat bewijst nog niet dat dit bij alle patiënten hetzelfde werkt, maar het maakt wel aannemelijk dat het immuunsysteem bij een deel van de long-covidpatiënten actief bijdraagt aan de klachten. Dat is belangrijk, omdat het de weg kan openen naar behandelingen die zich richten op schadelijke antistoffen.
Veranderingen in immuuncellen na COVID-19 en hun rol bij langdurige klachten
Deze studie onderzocht hoe de samenstelling van immuuncellen in het bloed samenhangt met gevoeligheid voor COVID-19 en het ontstaan van klachten na infectie. Bij 71 deelnemers, waaronder herstelde patiënten en niet-geïnfecteerde personen, werd met behulp van geavanceerde flowcytometrie gekeken naar verschillende typen afweercellen. De resultaten laten zien dat herstelde patiënten – vooral degenen met restklachten – hogere aantallen hadden van diverse lymfocyten, waaronder T-cellen, CD4+ en CD8+ T-cellen, en regulatoire T-cellen (Tregs). Tegelijk werd een afname gezien van een specifieke subgroep van NKT-cellen. Deze veranderingen wijzen op een aangepast immuunsysteem na infectie.
Daarnaast bleek dat patiënten met aanhoudende klachten (zoals hoesten of keelpijn) een nog sterkere toename vertoonden van verschillende immuuncellen dan patiënten zonder klachten. Dit suggereert dat langdurige symptomen mogelijk samenhangen met een aanhoudende activatie van het immuunsysteem. Ook werden specifieke subpopulaties van T-cellen (zoals Temra CD4+T-cellen) vaker gevonden bij patiënten met klachten. De studie ondersteunt het idee dat verschillen in immuuncelsamenstelling niet alleen invloed hebben op de kans om COVID-19 te krijgen, maar ook op het herstel en het ontstaan van langdurige klachten.
Bron:
“Relationship Between Blood Immune Cell Composition and COVID-19 Susceptibility and Post-Infection Sequelae Using Full-Spectrum Flow Cytometry” – Ren Xu, Xiao Xiao, Xiuyan Jin, Guangmin Yang, Yuanhua Yu. Gepubliceerd in Journal of the College of Physicians and Surgeons Pakistan (2026). Vindplaats: https://jcpsp.pk/article-detail/prelationship-between-blood-immune-cell-composition-and-covid19-susceptibility-and-postinfection-sequelae-using-fullspectrum-flow-cytometryorp
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat het immuunsysteem na COVID-19 langdurig veranderd kan blijven, vooral bij mensen met aanhoudende klachten. Een verhoogde activiteit van bepaalde afweercellen lijkt samen te hangen met deze klachten. Dit wijst erop dat long COVID mogelijk mede wordt veroorzaakt door een blijvend ontregelde immuunreactie, al is vervolgonderzoek nodig om dit beter te begrijpen.
Veranderde hersenconnectiviteit bij post-COVID na milde infectie
Bij patiënten met post-COVID-19-conditie (PCC) na een milde, niet-gehospitaliseerde infectie vonden de onderzoekers veranderingen in de functionele connectiviteit van de hersenen. Met resting-state fMRI werden 22 patiënten met aanhoudende cognitieve klachten en vermoeidheid vergeleken met 19 niet-symptomatische controles. De metingen vonden gemiddeld 32 maanden na de infectie plaats. De patiënten vertoonden verhoogde functionele connectiviteit in hersengebieden die samenhangen met het default mode network (DMN), vooral vóór een taak die langdurige aandacht vroeg. Er werden geen structurele afwijkingen op de gewone MRI-scans gevonden. Ook werden geen significante verschillen gevonden in de prestaties op neuropsychologische tests.
De studie vond daarnaast geen significante samenhang tussen deze veranderingen in hersenconnectiviteit en scores op cognitieve tests, vermoeidheid, angst of depressie. Na de aandachtstaak waren de verschillen in functionele connectiviteit tussen patiënten en controles niet meer significant. De auteurs wijzen erop dat de gevonden afwijkingen subtiel zijn, maar wel langdurig aanwezig lijken, bijna drie jaar na de acute infectie. Volgens hen onderstrepen deze bevindingen de noodzaak van verder onderzoek naar hersenfunctie bij mensen met PCC na een milde infectie, om beter te begrijpen welke mechanismen ten grondslag liggen aan cognitieve klachten en vermoeidheid.
Bron: Hedström S, Stenberg J, Borg K, Hedberg SM, Granberg T, Gyllenberg A, Pettersson S, Van Loo H, Möller MC, Engström Nordin L. Brain connectivity and its relation to cognitive function in patients with post-COVID 19 condition after mild infection. Scientific Reports. 2026;16:8152. Vindplaats: Nature / Scientific Reports, via: https://www.nature.com/articles/s41598-026-41665-2
Redactionele conclusie:
Deze studie laat zien dat mensen met langdurige cognitieve klachten na een milde COVID-infectie nog jaren later subtiele veranderingen in de hersenactiviteit kunnen hebben, ook als gewone hersenscans niets afwijkends tonen. Tegelijk maakt het onderzoek duidelijk dat nog niet vaststaat hoe deze afwijkingen precies samenhangen met geheugen-, concentratie- of vermoeidheidsklachten. Voor leken betekent dit vooral: er zijn meetbare aanwijzingen dat post-COVID de hersenfunctie kan beïnvloeden, maar er is meer onderzoek nodig om te begrijpen wat dit in het dagelijks leven precies betekent.
Ozonetherapie bij post-COVID: mogelijke verbetering van klachten, maar bewijs nog beperkt
In deze studie werd onderzocht of zogenoemde “major ozone autohemotherapy” (MBO), waarbij bloed buiten het lichaam wordt behandeld met een zuurstof-ozonmengsel en vervolgens teruggegeven, effect heeft op klachten bij patiënten met post-COVID syndroom. De onderzoekers analyseerden retrospectief de gegevens van 40 patiënten die tien behandelsessies ondergingen. Voor en na de behandeling werden onder meer vermoeidheid, angst, depressie, slaapkwaliteit en kwaliteit van leven gemeten. Na de behandeling bleken scores voor vermoeidheid, angst en depressie significant verbeterd. Ook de algemene kwaliteit van leven en verschillende aspecten van slaapkwaliteit namen toe, hoewel niet alle slaapparameters veranderden.
De meeste patiënten in de studie waren vrouwen van middelbare leeftijd en hadden geen ernstige longschade tijdens de acute COVID-19-infectie. Vermoeidheid was veruit de meest voorkomende klacht. Volgens de auteurs zou ozontherapie mogelijk werken via verbeterde zuurstofafgifte aan weefsels, beïnvloeding van ontstekingsprocessen en stimulatie van antioxidatieve systemen. Tegelijkertijd benadrukken zij dat het bewijs nog beperkt is: de studie had geen controlegroep, een kleine steekproef en een retrospectief ontwerp. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verbeteringen daadwerkelijk door de behandeling zijn veroorzaakt.
Bron:
“Efficacy of major ozone autohemotherapy in patients with post-COVID syndrome”, Ozlem Kuculmez, gepubliceerd in Frontiers in Medicine, 2026. Beschikbaar via: https://www.frontiersin.org/journals/medicine/articles/10.3389/fmed.2026.1720578/full
Redactionele conclusie:
Deze studie suggereert dat ozontherapie mogelijk klachten van long COVID kan verminderen, zoals vermoeidheid en stemmingsproblemen. Tegelijkertijd is het bewijs nog zwak, omdat er geen vergelijking met een controlegroep is en het aantal patiënten klein is. Vooralsnog kan deze behandeling daarom niet als bewezen effectief worden beschouwd, en is verder onderzoek noodzakelijk voordat het breed kan worden aanbevolen.