Langdurige klachten na een SARS-CoV-2-infectie (PASC/long COVID) worden vaak in verband gebracht met aanhoudende ontsteking, maar het is lastig om precies te achterhalen welke cellen en signalen dat gaande houden—zeker in organen zoals de long, waar je bij mensen niet zomaar uitgebreid weefsel kunt onderzoeken. In een grote dierstudie (bij Phodopus roborovskii-hamsters) brachten onderzoekers dit proces op meerdere plekken in het lichaam in kaart, met single-cell RNA sequencing van long, broncho-alveolaire lavage (BALF) en milt, en vergeleken zij SARS-CoV-2 met influenza A (H1N1). Hun kernboodschap: een subgroep herstelt slecht en laat een opvallend patroon zien van aanhoudende neutrofiel-activatie, verstoorde myeloïde (afstammings)ontwikkeling en blijvende longschade—en remming van neutrofiel-gedreven ontsteking kan dat patroon in dit model verminderen.
Een “PASC-subgroep” in het model: slecht gewichtherstel en blijvende longschade
De hamsters kregen óf SARS-CoV-2 (Delta-variant) óf influenza A (H1N1). Opvallend was dat de sterfte in beide infectiegroepen vergelijkbaar was, maar dat er bij SARS-CoV-2 een subgroep van overlevenden was die na 30 dagen duidelijk slechter herstelde (o.a. onvoldoende gewichtstoename) en ernstige longafwijkingen behield. De onderzoekers gebruikten dit niet-herstel als operationalisatie voor een PASC-achtige groep in het diermodel.
Belangrijk detail: tegen ~13 dagen na infectie was er geen aanwijzing meer voor voortdurende virusreplicatie, waardoor de blijvende schade niet simpelweg te verklaren was door “het virus dat nog doorgroeit”.
Neutrofielen domineren, macrofagen verdwijnen: scheefgroei in het aangeboren immuunsysteem
In de PASC-groep zagen de onderzoekers in long en BALF een sterke toename van neutrofielen en juist een afname van macrofagen, passend bij ontregeling van de balans in het aangeboren immuunsysteem. Op single-cell niveau vonden ze in deze groep ook een PASC-achtig genexpressieprofiel (o.a. ontstekingsgenen) dat niet (of veel minder) aanwezig was bij herstellende dieren en bij influenza-herstel.
Daarnaast wijst hun trajectanalyse van myeloïde voorlopercellen erop dat de “afslag” richting neutrofielvorming in de PASC-groep relatief sterker werd genomen dan de afslag richting monocyten/macrofagen—alsof het systeem langdurig in een granulocytaire (neutrofiele) versnelling blijft hangen.
Restant van spike-eiwit (S1) in de long: mogelijk brandstof voor aanhoudende ontsteking
Een van de meest prikkelende bevindingen: in de PASC-groep was met immunohistochemie nog SARS-CoV-2 spike S1-antigeen in de long aantoonbaar tot 30 dagen na infectie, terwijl andere virale markers (zoals nucleocapside) veel eerder verdwenen. Dit viel samen met duidelijke neutrofiel-infiltratie in longweefsel. De auteurs suggereren dat een dergelijk achterblijvend antigeen (zonder detecteerbare replicatie) een mechanisme kan zijn waardoor ontsteking blijft doorsudderen.
Welke neutrofiel-signalen springen eruit?
De neutrofielen in de PASC-groep lieten langdurig verhoogde expressie zien van meerdere ontstekings- en weefselschade-gerelateerde routes. In de samenvatting noemen de auteurs onder meer genen en routes die passen bij degranulatie en NET-vorming (neutrophil extracellular traps), waaronder FPR2, MMP9 en S100A9. Dit soort programma’s kan bij aanhoudende activatie bijdragen aan weefselschade en fibrose.
Therapeutische aanwijzing: remmen van neutrofiel-gedreven ontsteking
Vervolgens testten de onderzoekers drie “kleine moleculen” die neutrofiel-gedreven ontsteking op verschillende manieren remmen:
- WRW4 (antagonist van FPR2)
- Paquinimod (remt S100A8/A9-signaal)
- Sivelestat (remmer van neutrofiel elastase)
In dit hamstermodel had vooral sivelestat het sterkste effect: de PASC-achtige uitkomstmaat kwam minder vaak voor, de sterfte daalde en neutrofielniveaus namen af. De timing leek cruciaal: vroege behandeling (dagen 5–11) werkte, terwijl latere toediening (dagen 15–21) niet meer hielp—wat past bij het idee dat er na een bepaald moment moeilijk omkeerbare weefselschade ontstaat.
Wat betekent dit wel en niet voor mensen met long COVID?
Deze studie is sterk doordat zij multi-orgaan en single-cell data combineert en bovendien een respiratoire comparator (influenza) gebruikt. Tegelijk blijft het een diermodel met een specifieke definitie van “PASC” (o.a. gewicht- en longpathologie-uitkomst). De resultaten geven daarom vooral mechanistische aanwijzingen: neutrofielen lijken in een subgroep langdurig ontregeld actief, en het remmen van neutrofiel-elastase kan in dit model longschade verminderen. Dat is nog geen bewijs dat sivelestat (of vergelijkbare strategieën) effectief of veilig is bij mensen met long COVID; daarvoor zijn klinische studies nodig.
Wel is het relevant dat sivelestat als neutrofiel-elastaseremmer al langer in de klinische literatuur voorkomt bij acute longschade/ARDS, met wisselende resultaten en discussies over in welke patiëntgroepen en timing het zinvol kan zijn.
Link naar het oorspronkelijke artikel: https://www.nature.com/articles/s12276-025-01539-5
Nader toegelicht
- PASC: Post-Acute Sequelae of SARS-CoV-2; een verzamelterm voor aanhoudende klachten na de acute infectie (vaak gelijkgesteld aan long COVID).
- Neutrofielen: snelle “eerstehulp”-afweercellen van het aangeboren immuunsysteem; bij langdurige activatie kunnen ze ook weefselschade versterken.
- Macrofagen: afweercellen die o.a. opruimen, ontsteking sturen en herstelprocessen in weefsel begeleiden.
- Myeloïde differentiatie: het rijpingsproces waarbij voorlopercellen uitgroeien tot o.a. neutrofielen, monocyten en macrofagen.
- scRNA-seq (single-cell RNA sequencing): techniek om genexpressie per individuele cel te meten, zodat je celtypes en hun activatiestatus precies kunt onderscheiden.
- BALF (bronchoalveolaire lavagevloeistof): vloeistof uit de longblaasjes/kleine luchtwegen die je (in onderzoek) kunt “spoelen” om cellen en eiwitten te analyseren.
- Antigeen (S1-subunit): een herkenbaar onderdeel van het virus (hier: deel van het spike-eiwit) dat door het immuunsysteem kan worden “gezien”, ook als er geen actieve virusreplicatie meer is.
- NETs (neutrophil extracellular traps): netachtige structuren van DNA en eiwitten die neutrofielen kunnen uitstoten; nuttig tegen pathogenen, maar bij overmaat potentieel schadelijk voor weefsel.
- MMP9: matrix-metalloproteïnase; enzym dat extracellulaire matrix kan afbreken en betrokken is bij ontsteking en weefselremodellering.
- FPR2: receptor die o.a. neutrofiel-migratie en activatie kan sturen.
- S100A8/A9 (calprotectine): ontstekingseiwitten die vaak verhoogd zijn bij actieve (aangeboren) immuunactivatie.
- Neutrofiel elastase: protease (knippend enzym) uit neutrofielen dat bij overactiviteit longweefsel kan beschadigen.
- Sivelestat: remmer van neutrofiel elastase; onderzocht bij acute longschade/ARDS en in deze studie getest als interventie tegen PASC-achtige longontsteking/fibrose.