Het risico op long COVID na een tweede SARS-CoV-2-infectie is een onderwerp van toenemende wetenschappelijke en maatschappelijke aandacht. Recente studies suggereren dat herinfecties – met name in het omikrontijdperk – gepaard kunnen gaan met een verhoogde kans op langdurige klachten. Maar hoe betrouwbaar zijn deze conclusies wanneer long COVID uitsluitend op basis van timing aan een infectie wordt toegeschreven? In een methodologisch commentaar in The Lancet Infectious Diseases waarschuwen Sara Carazo en collega’s voor mogelijke overschatting van het risico door onzorgvuldige attributie.
Aanleiding voor hun analyse is een grote Amerikaanse cohortstudie van Zhang et al., die rapporteerde dat kinderen na een omikron-herinfectie ruim twee keer zo vaak long COVID ontwikkelden als na een eerste infectie. Die conclusie was gebaseerd op elektronische patiëntendossiers, waarbij long COVID werd geïdentificeerd via ICD-codes en vervolgens puur temporeel werd gekoppeld aan de eerste of tweede infectie. Precies daar wringt volgens Carazo en collega’s de schoen.
Long COVID laat zich niet vangen in codes en kalenderdagen
Long COVID is geen eenduidige aandoening met één herkenbaar symptoom of biomarker. Het betreft een breed spectrum aan klachten – zoals vermoeidheid, cognitieve problemen, kortademigheid en duizeligheid – die alleen na zorgvuldige klinische beoordeling betrouwbaar kunnen worden toegeschreven aan een eerdere infectie. Dat geldt in versterkte mate voor kinderen, bij wie klachten vaak wisselend en minder specifiek zijn dan bij volwassenen.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteert bovendien een duidelijke definitie: long COVID vereist klachten die minstens 90 dagen aanhouden na een acute infectie. In de studie van Zhang et al. werd echter een follow-upvenster gebruikt van 28 tot 179 dagen, waardoor een groot deel van de long COVID-diagnoses werd toegeschreven aan infecties die nog geen drie maanden eerder hadden plaatsgevonden. Volgens Carazo en collega’s is daarmee het risico op verkeerde toeschrijving aanzienlijk.
Heranalyse laat zien hoe attributie conclusies kan omkeren
Om de impact van deze methodologische keuze inzichtelijk te maken, heranalyseerden de auteurs hun eigen eerdere cohortstudie onder zorgmedewerkers in Québec. In dit onderzoek werd long COVID gedefinieerd op basis van zelfgerapporteerde klachten die minimaal 12 weken aanhielden, waarbij deelnemers zelf aangaven aan welke infectie zij hun klachten toeschreven.
Wanneer deze zelf-attributie werd gevolgd, bleek het risico op long COVID lager na een tweede infectie dan na een eerste. Afhankelijk van de analyse lag de gecorrigeerde risicoratio tussen 0,27 en 0,62. Maar zodra alle long COVID-gevallen automatisch werden toegeschreven aan de laatste doorgemaakte infectie, sloeg het beeld volledig om: de risicoratio’s stegen tot boven de 2, vrijwel identiek aan de uitkomsten van Zhang et al.
Deze vergelijking maakt duidelijk dat niet de herinfectie zelf, maar de gekozen attributiemethode in belangrijke mate bepaalt of herinfecties als risicovoller worden gezien. Zonder inbreng van patiënt of clinicus kan een puur temporele benadering leiden tot een forse overschatting van het long COVID-risico na herinfectie.
Oproep tot meer nuance en betere data
Carazo en collega’s pleiten daarom voor grote voorzichtigheid bij het interpreteren van EHR-gebaseerde studies waarin long COVID wordt gekoppeld aan specifieke infecties. Hun analyse onderstreept dat conclusies over herinfectierisico’s fundamenteel afhangen van definities, tijdsvensters en de mate waarin subjectieve informatie wordt meegenomen.
Zolang er geen objectieve biomarkers beschikbaar zijn voor long COVID, blijft zorgvuldige klinische beoordeling – inclusief patiëntperspectief – essentieel. Alleen zo kan worden voorkomen dat beleidskeuzes en risicocommunicatie worden gebaseerd op methodologisch kwetsbare aannames.
Oorspronkelijke publicatie
https://www.thelancet.com/journals/laninf/article/PIIS1473-3099(25)00775-3/fulltext
Nader toegelicht
Long COVID / post-COVID-19-aandoening
Aanhoudende klachten die ontstaan na een SARS-CoV-2-infectie, minimaal drie maanden aanhouden en niet anders verklaard kunnen worden.
ICD-codes
Internationale classificatiecodes die worden gebruikt in elektronische patiëntendossiers om diagnoses vast te leggen.
Attributie
Het toeschrijven van klachten of een aandoening aan een specifieke oorzaak, in dit geval aan een eerste of tweede COVID-19-infectie.
Risicoratio (RR)
Een maat die aangeeft hoe groot het risico op een uitkomst is in de ene groep vergeleken met een andere groep.
Omikronperiode
De fase van de pandemie waarin de omikronvariant dominant was, gekenmerkt door hoge besmettingsaantallen maar gemiddeld mildere acute ziekte.