Veel mensen merken dat hun conditie na een COVID-19-infectie anders is dan vóór de besmetting. Sneller buiten adem, minder kracht in de benen, sporten dat zwaarder voelt dan vroeger. Een grote Zweedse studie volgde ruim drie jaar lang mensen die COVID-19 hadden doorgemaakt en laat zien: herstel van fysieke capaciteit gaat langzaam, stokt na een tijdje en is zeker niet alleen een probleem bij mensen die in het ziekenhuis hebben gelegen. PubMed+1
Wie deden er mee aan de studie?
De onderzoekers gebruikten gegevens uit de Zweedse CoVUm-studie, een multicentrische, prospectieve cohortstudie. Ze volgden 291 ongevaccineerde mensen die tussen april 2020 en mei 2021 een bewezen SARS-CoV-2-infectie doormaakten. De leeftijd varieerde van 16 tot 82 jaar, met een mediane leeftijd van 51 jaar. Ongeveer de helft was vrouw. PubMed
Ruim een derde (ongeveer 35%) van de deelnemers was tijdens de acute infectie in het ziekenhuis opgenomen; een deel daarvan lag zelfs op de intensive care. De overige deelnemers hadden een mild beloop en zijn nooit in het ziekenhuis geweest. Daarmee geeft de studie een breed beeld van zowel milde als ernstige COVID-19.
Hoe werd fysieke capaciteit en benauwdheid gemeten?
De onderzoekers volgden de deelnemers vanaf vier weken na de infectie en nodigden hen daarna herhaaldelijk uit voor controles tot drie jaar na de besmetting. Daarbij deden zij twee kernmetingen: PubMed+1
- Fysieke capaciteit werd getest met de one-minute sit-to-stand test (1MSTST). Deelnemers moesten in één minuut zo vaak mogelijk opstaan uit een stoel en weer gaan zitten, zonder steun van de armen. Hoe meer herhalingen, hoe beter de fysieke capaciteit.
- Benauwdheid in het dagelijks leven werd gemeten met de modified Medical Research Council-schaal (mMRC), een korte vragenlijst van 0 (alleen benauwd bij zware inspanning) tot 4 (te benauwd om het huis uit te gaan).
Daarnaast werd 3–6 maanden na de infectie uitgebreid de longfunctie gemeten, met onder andere de diffusiecapaciteit (DLco) en klassieke spirometriewaarden zoals FEV1 en FVC. Longfunctiegegevens en gegevens over comorbiditeiten, BMI, leeftijd, roken en ziekenhuisopname werden gebruikt om te analyseren welke factoren samenhangen met slechter herstel.
Duidelijke verbetering – maar vooral in de eerste twee jaar
In de totale groep nam de fysieke capaciteit in de loop van de tijd toe. De meeste winst werd geboekt in het eerste jaar na de infectie, met verdere maar kleinere verbeteringen in het tweede jaar. Tussen jaar twee en drie was er nauwelijks nog vooruitgang: de curve vlakte af. PubMed+1
Met andere woorden: wie in de eerste twee jaar na COVID-19 verbetering in kracht en uithoudingsvermogen ervaart, heeft daar meestal vooral in die periode baat bij. Na ongeveer twee jaar lijkt het niveau waarop iemand “uitkomt” min of meer het nieuwe stabiele niveau te zijn.
Belangrijk is dat de onderzoekers de resultaten vergeleken met een referentiepopulatie (gezonde mensen van dezelfde leeftijd en hetzelfde geslacht). Daaruit bleek dat veel deelnemers – zeker in het begin, maar ook later – duidelijk onder het verwachte niveau bleven.
Ziekenhuisopname laat langdurige sporen na
De ernst van de acute infectie bleek een krachtige voorspeller voor langdurige beperkingen. Deelnemers die tijdens hun COVID-19-infectie in het ziekenhuis waren opgenomen, scoorden structureel slechter op de sit-to-stand test dan mensen die thuis waren uitgeziekt. In de statistische modellen was ziekenhuisopname zelfstandig gekoppeld aan een lagere fysieke capaciteit én meer benauwdheid, zelfs na correctie voor andere factoren zoals leeftijd en BMI. PubMed+1
Opvallend was ook het verschil in hersteltempo:
- Bij ziekenhuispatiënten verbeterde de fysieke capaciteit vooral in de eerste zes maanden. Daarna trad er een plateau op: verdere vooruitgang bleef beperkt.
- Bij niet-opgenomen patiënten gingen de prestaties op de 1MSTST doorgaans tot ongeveer twee jaar na de infectie vooruit, voordat ook daar een stabilisatie optrad. Medical Dialogues
Toch gold ook hier dat veel mensen, zelfs na jaren, nog onder het niveau van de referentiepopulatie bleven. Met name wie ernstig ziek was geweest, bleef vaak bij de laagste percentielen horen.
Rol van de longfunctie: DLco als belangrijke voorspeller
Een centrale bevinding van de studie is de rol van de diffusiecapaciteit van de long (DLco). Een verlaagde DLco 3–6 maanden na de infectie bleek sterk samen te hangen met slechtere fysieke prestaties én met meer benauwdheidsklachten tot drie jaar later. PubMed+1
Mensen met een verlaagde DLco:
- deden significant minder herhalingen bij de sit-to-stand test;
- rapporteerden vaker en ernstiger benauwdheid;
- lieten een minder gunstige herstelcurve zien: er was vooral verbetering in de eerste maanden, waarna het herstel stagneerde.
Andere longfunctiewaarden (zoals FEV1 of FVC) speelden in de analyses een minder uitgesproken rol dan DLco. Dat onderstreept het belang van metingen die specifiek de gaswisseling in de longblaasjes in beeld brengen.
Ook milde COVID-19 laat sporen na
Een belangrijk inzicht is dat ook mensen die nooit in het ziekenhuis zijn geweest nog jarenlang een verminderde fysieke capaciteit kunnen hebben. Hoewel deze groep gemiddeld beter scoort dan de eerder opgenomen patiënten, laten de gegevens zien dat veel van hen onder het verwachte niveau voor hun leeftijd en geslacht blijven. PubMed+1
Dit bevestigt wat veel mensen met (langdurige) klachten na een “mild” beloop van COVID-19 ervaren: minder kunnen dan voorheen, ondanks normale of nauwelijks afwijkende standaardonderzoeken. De studie maakt dit nu zichtbaar met objectieve inspanningstesten over een lange periode.
Benauwdheid neemt af, maar niet bij iedereen
Niet alleen de fysieke test, ook de ervaren benauwdheid veranderde in de loop van de tijd. Gemiddeld namen de mMRC-scores tot twee jaar na de infectie af: mensen voelden zich dus minder kortademig bij inspanning. Daarna vlakte de verbetering af. PubMed
Toch bleken bepaalde groepen een verhoogd risico op blijvende benauwdheid te hebben:
- mensen die tijdens de acute fase waren opgenomen in het ziekenhuis;
- mensen met een verlaagde DLco;
- personen met een verlaagde FEV1;
- vrouwen, die gemiddeld hogere benauwdheidsscores rapporteerden dan mannen. PubMed+1
Daarnaast was er een duidelijke koppeling tussen de fysieke test en de klachten: wie bij de sit-to-stand test minder herhalingen haalde, rapporteerde vaker (meer) benauwdheid.
Wat betekenen deze resultaten in de praktijk?
De studie laat zien dat COVID-19 geen kortdurend “virusje” hoeft te zijn, maar langdurige gevolgen kan hebben voor fysieke belastbaarheid en ademhaling, zelfs drie jaar na de infectie. Belangrijke conclusies voor de praktijk zijn:
- Herstel kost tijd: verbetering in kracht en uithoudingsvermogen kan tot ongeveer twee jaar doorgaan, maar daarna treedt vaak een plateau op.
- Ernstige ziekte weegt zwaar: ziekenhuisopname tijdens de acute fase is een sterke voorspeller voor blijvende beperkingen, zowel in fysieke capaciteit als in klachten van benauwdheid.
- Longschade in de vorm van een verlaagde DLco is een belangrijk alarmsignaal voor langdurige problemen met inspanning en ademhaling. Vroege herkenning kan helpen om mensen gerichter te volgen en te behandelen.
- Ook mensen met milde COVID-19 verdienen aandacht: zij kunnen op papier “mild ziek” zijn geweest, maar toch langdurig minder belastbaar blijven.
Deze bevindingen pleiten voor laagdrempelige, langdurige follow-up van COVID-19-patiënten – niet alleen de ernstig zieken, maar ook de grote groep met een mild beloop – en voor goed toegankelijke revalidatieprogramma’s met aandacht voor conditie, spierkracht, ademhaling en energieverdeling.
Beperkingen van de studie
De auteurs benoemen ook enkele belangrijke beperkingen:
- Er waren geen gegevens over fysieke capaciteit vóór de infectie. Het is dus niet met zekerheid te zeggen hoeveel van de beperkingen echt nieuw zijn en hoeveel al bestonden.
- De deelnemers waren ongevaccineerd en besmet in de eerste fasen van de pandemie. De resultaten zijn mogelijk niet één-op-één te vertalen naar latere varianten of gevaccineerde populaties. PubMed
- Er werden geen systematische beeldvormende onderzoeken (zoals CT-scans) over de hele follow-upperiode gedaan, waardoor de onderliggende structurele longafwijkingen niet volledig in kaart zijn gebracht.
Desondanks biedt deze studie één van de meest uitgebreide langetermijn-analyses van fysieke capaciteit na COVID-19 tot nu toe en onderstreept zij de noodzaak van blijvende aandacht voor de nazorg van COVID-patiënten.
Origineel artikel:
https://www.journalofinfection.com/article/S0163-4453(25)00214-2/fulltext ScienceDirect
Nader toegelicht
Fysieke capaciteit
Het vermogen van het lichaam om inspanning te leveren, bijvoorbeeld traplopen, wandelen, fietsen of sporten. Het gaat om een combinatie van spierkracht, uithoudingsvermogen, hart- en longfunctie.
One-minute sit-to-stand test (1MSTST)
Een eenvoudige test waarbij iemand in één minuut zo vaak mogelijk van zitten naar staan gaat en weer terug. Het aantal herhalingen zegt iets over spierkracht en uithoudingsvermogen van met name de benen.
Benauwdheid / dyspneu
Het subjectieve gevoel van tekortschieten van de adem, bijvoorbeeld bij traplopen of wandelen. Dit kan samenhangen met long- of hartproblemen, maar ook met conditieverlies, spierzwakte of ontregeling van het autonome zenuwstelsel.
mMRC-schaal (modified Medical Research Council)
Een korte vragenlijst om benauwdheid in het dagelijks leven te meten.
- Score 0: alleen benauwd bij zware inspanning;
- Score 1–2: benauwd bij sneller lopen, heuveltje oplopen of bij het meelopen met leeftijdsgenoten;
- Score 3–4: benauwd bij kleine dagelijkse activiteiten, zoals aankleden of korte afstanden lopen.
Diffusiecapaciteit (DLco)
Een longfunctiemeting die aangeeft hoe goed zuurstof via de longblaasjes in het bloed terechtkomt. Een verlaagde DLco kan wijzen op schade aan het longweefsel, de haarvaten in de long of op langdurige ontsteking.
Spirometriewaarden FEV1 en FVC
- FEV1: de hoeveelheid lucht die iemand in de eerste seconde krachtig kan uitblazen.
- FVC: de totale hoeveelheid lucht die iemand na een diepe inademing maximaal kan uitblazen.
Deze waarden helpen om vernauwing of andere afwijkingen in de luchtwegen op te sporen.
FEV1/FVC-ratio
De verhouding tussen FEV1 en FVC. Een verlaagde ratio wijst vaak op obstructieve longziekten, zoals astma of COPD.
Lower Limit of Normal (LLN)
De ondergrens van wat als “normaal” wordt beschouwd voor bijvoorbeeld longfunctie, op basis van grote referentiepopulaties. Een waarde onder de LLN wordt gezien als afwijkend laag.
Prospectieve cohortstudie
Onderzoeksopzet waarbij een groep mensen (cohort) in de tijd vooruit wordt gevolgd. Gegevens over blootstellingen (zoals COVID-19) en uitkomsten (zoals longfunctie of fysieke capaciteit) worden systematisch verzameld.
Longitudinale studie
Een studie waarin dezelfde personen meerdere keren in de tijd worden onderzocht. Dit maakt het mogelijk om veranderingen (zoals herstel of achteruitgang) te volgen.
Intensive care (ICU)
Afdeling in het ziekenhuis waar mensen met levensbedreigende aandoeningen worden behandeld en continu bewaakt, vaak met beademingsapparatuur en andere ondersteunende technieken.
Body Mass Index (BMI)
Een maat voor de verhouding tussen gewicht en lengte (kg/m²). Een hogere BMI kan samenhangen met meer risico op ernstig beloop van infecties en een lagere fysieke capaciteit.
Charlson Comorbidity Index (CCI)
Een score die aangeeft hoeveel en welke chronische ziekten iemand heeft en wat dat betekent voor het risico op overlijden. Hoe hoger de score, hoe meer of ernstiger de onderliggende aandoeningen.