Een verminderde conditie bij mensen met long COVID en myalgische encefalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/cvs) wordt regelmatig toegeschreven aan een gebrek aan lichaamsbeweging. Omdat veel patiënten na lichamelijke of mentale inspanning last krijgen van post-exertionele malaise (PEM) – een verergering van de klachten na inspanning – bewegen zij vaak minder. De vraag is echter of de spierafwijkingen die bij deze patiënten worden gevonden daadwerkelijk alleen het gevolg zijn van deze verminderde activiteit.
In een nieuwe studie vergeleken onderzoekers van onder meer de Vrije Universiteit Amsterdam en Amsterdam UMC de spierkenmerken van mensen met long COVID en ME/cvs met die van gezonde proefpersonen die gedurende zestig dagen volledige bedrust hadden ondergaan. Bedrust is een goed onderzocht model voor ernstige lichamelijke inactiviteit. Door beide groepen met elkaar te vergelijken wilden de onderzoekers vaststellen of de afwijkingen bij long COVID en ME/cvs overeenkomen met wat verwacht mag worden bij langdurig niet bewegen, of dat er sprake is van een ander ziekteproces. De resultaten wijzen duidelijk in de richting van dat laatste.
De onderzoekers includeerden 25 mensen met long COVID, 26 mensen met ME/cvs, 30 gezonde controlepersonen en daarnaast 24 gezonde vrijwilligers die deelnamen aan een experiment met zestig dagen strikte bedrust. Alle deelnemers ondergingen een maximale inspanningstest op een fietsergometer. Daarnaast werden spierbiopten uit de bovenbeenspier onderzocht om de spierstructuur, de spiervezels, de doorbloeding en de werking van de mitochondriën in kaart te brengen.
Vergelijkbare conditievermindering, maar andere oorzaak
Zoals verwacht hadden zowel de bedrustgroep als de patiënten een lagere maximale zuurstofopname (VO₂max) dan gezonde controlepersonen. Ook de zogenoemde gas exchange threshold, een maat voor het moment waarop het lichaam steeds meer afhankelijk wordt van anaerobe energievoorziening, lag lager. Op het eerste gezicht leek de afname van het inspanningsvermogen dus vergelijkbaar.
Toen de onderzoekers echter dieper naar de reacties van hart, longen en spieren tijdens inspanning keken, ontstonden duidelijke verschillen. Bij de gezonde proefpersonen die langdurig bedrust hadden gehouden veranderden vooral de ademhalings- en hartreacties zoals verwacht bij onttraining. Bij patiënten met long COVID en ME/cvs bleven deze veranderingen grotendeels uit. Wel hadden zij een lagere zuurstofpuls en vertoonde vooral de ME/cvs-groep een afwijkende relatie tussen hartslag en zuurstofopname. Dat wijst volgens de onderzoekers eerder op een verminderde zuurstofonttrekking door de spieren of een verminderd slagvolume van het hart dan op gewone onttraining.
Geen spieratrofie zoals na langdurige bedrust
Een van de opvallendste verschillen werd gevonden in de spierstructuur.
Na zestig dagen bedrust waren de spieren van gezonde proefpersonen duidelijk kleiner geworden. Deze spieratrofie trad op in alle spiervezeltypen. Bij de patiënten met long COVID en ME/cvs werd een dergelijke algemene spieratrofie juist niet gevonden. Alleen bij ME/cvs bleken de langzame type-I-spiervezels selectief kleiner te zijn.
Daarmee verdwijnt een belangrijk argument dat de spierafwijkingen uitsluitend door langdurige inactiviteit zouden ontstaan. Als verminderde activiteit de enige verklaring was geweest, hadden de onderzoekers juist een spierbeeld verwacht dat veel sterker leek op dat van de bedrustgroep.
Verschuiving naar snellere spiervezels
De onderzoekers ontdekten bovendien dat patiënten met zowel long COVID als ME/cvs relatief minder langzame type-I-spiervezels bezaten en juist meer snelle, glycolytische type-IIa/IIx-vezels. Bij de bedrustgroep trad zo’n verschuiving helemaal niet op.
Type-I-spiervezels zijn gespecialiseerd in langdurige inspanning en gebruiken voornamelijk zuurstof voor hun energievoorziening. Type-II-vezels leveren sneller kracht, maar raken ook sneller vermoeid. Volgens de onderzoekers kan deze verschuiving bijdragen aan de beperkte inspanningstolerantie die veel patiënten ervaren.
Mitochondriën functioneren anders dan bij onttraining
Ook de energiecentrales van de spiercellen, de mitochondriën, werden onderzocht.
Na langdurige bedrust daalde de oxidatieve fosforyleringscapaciteit, grotendeels doordat het totale aantal functionele mitochondriën afnam. Bij long COVID en ME/cvs lag de oxidatieve fosforyleringscapaciteit eveneens lager, maar de oorzaak leek anders. Zelfs na correctie voor de hoeveelheid mitochondriën bleef de mitochondriale functie verminderd. Dat wijst volgens de onderzoekers op een intrinsieke stoornis in de werking van de mitochondriën zelf en niet uitsluitend op een verminderd aantal mitochondriën als gevolg van minder bewegen.
Nog opvallender was dat bij gezonde mensen – zowel vóór als na bedrust – een duidelijke relatie bestond tussen de mitochondriale capaciteit en de maximale zuurstofopname. Bij patiënten met long COVID en ME/cvs ontbrak deze relatie volledig. Volgens de onderzoekers suggereert dit dat andere mechanismen dan alleen de mitochondriën de inspanningsbeperking veroorzaken. Mogelijke verklaringen zijn een verminderde zuurstofafgifte aan de spieren, een slechtere doorbloeding of problemen in de zuurstofextractie.
Minder haarvaten bij ME/cvs
De onderzoekers bekeken ook de haarvaten in het spierweefsel.
Na bedrust bleef het aantal haarvaten per spiervezel grotendeels gelijk. Doordat de spiervezels kleiner werden, nam de dichtheid van de haarvaten zelfs toe.
Bij patiënten met ME/cvs werd juist een lager aantal haarvaten per spiervezel gevonden, evenals een lagere capillaire dichtheid. Bij long COVID werden deze afwijkingen minder duidelijk gezien. Beide patiëntengroepen hadden echter voor eenzelfde spiervezelgrootte minder haarvaten beschikbaar dan gezonde controlepersonen. Hierdoor kan de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen tijdens inspanning minder efficiënt verlopen.
Niet simpelweg “deconditionering”
Volgens de onderzoekers laten alle bevindingen samen zien dat de spierafwijkingen bij long COVID en ME/cvs niet kunnen worden verklaard door lichamelijke inactiviteit alleen.
Hoewel patiënten vaak minder bewegen vanwege post-exertionele malaise en hoewel dit ongetwijfeld een bijdrage levert aan hun conditieverlies, blijken de veranderingen in spiervezels, mitochondriën en haarvaten wezenlijk anders te zijn dan de veranderingen die optreden na langdurige bedrust bij gezonde mensen.
Daarmee plaatsen de auteurs vraagtekens bij het idee dat patiënten vooral “gedeconditioneerd” zijn. Volgens hen wijzen de resultaten juist op intrinsieke afwijkingen van de skeletspieren die bijdragen aan de verminderde inspanningscapaciteit.
Gevolgen voor behandeling
De onderzoekers concluderen dat revalidatieprogramma’s rekening moeten houden met het feit dat patiënten met long COVID en ME/cvs niet eenvoudig kunnen worden beschouwd als mensen die alleen conditie hebben verloren.
Zij pleiten ervoor om de aandoeningen als afzonderlijke ziektebeelden te benaderen. Omdat mitochondriale afwijkingen en stoornissen van de vaatwand in beide aandoeningen een belangrijke rol lijken te spelen, adviseren de onderzoekers dat toekomstig onderzoek zich richt op behandelingen die de mitochondriale functie en de gezondheid van het vaatstelsel kunnen verbeteren.
Link naar het oorspronkelijke artikel
https://www.nature.com/articles/s41467-026-75725-y_reference.pdf
Nader toegelicht
Post-exertionele malaise (PEM)
Een verergering van klachten na lichamelijke of mentale inspanning. Deze verslechtering kan uren of dagen aanhouden.
VO₂max
De maximale hoeveelheid zuurstof die het lichaam tijdens zware inspanning kan opnemen en gebruiken. Dit is een belangrijke maat voor het uithoudingsvermogen.
Gas Exchange Threshold (GET)
Het omslagpunt tijdens inspanning waarop het lichaam steeds meer energie gaat produceren zonder voldoende zuurstof, waardoor melkzuur zich sneller begint op te hopen.
Skeletspieren
De spieren waarmee we bewegen en kracht leveren.
Spieratrofie
Het kleiner worden van spierweefsel door verlies van spiermassa.
Type-I-spiervezels
Langzame spiervezels die vooral geschikt zijn voor langdurige inspanning en veel gebruikmaken van zuurstof.
Type-IIa/IIx-spiervezels
Snellere spiervezels die meer kracht leveren, maar sneller vermoeid raken en relatief meer afhankelijk zijn van anaerobe energievoorziening.
Mitochondriën
De energiecentrales van de cel die zuurstof gebruiken om energie (ATP) te produceren.
Oxidatieve fosforylering
Het proces waarbij mitochondriën met behulp van zuurstof energie produceren.
Succinaatdehydrogenase (SDH)
Een enzym in de mitochondriën dat vaak wordt gebruikt als maat voor de hoeveelheid en activiteit van mitochondriën in spierweefsel.
Capillairen (haarvaten)
De kleinste bloedvaten waarin zuurstof en voedingsstoffen aan spiercellen worden afgegeven.
Capillair-tot-spiervezelratio
Het gemiddelde aantal haarvaten dat beschikbaar is per spiervezel. Een lagere ratio kan de zuurstofvoorziening van de spier beperken.