Ooit was Amerika “the land of the free”. Tegenwoordig is het vooral het land van de vrije klappen. En van de kogels. Die zijn daar nog altijd volledig belastingvrij.
Neem Minneapolis. Een stad die wij hier vooral kennen van Prince, jazz en basketballers met te grote schoenen. Daar liep Alex Pretti rond. IC-verpleegkundige. Zo iemand die normaal gesproken mensen uit de dood probeert te houden. Hij stond te demonstreren tegen het immigratiebeleid van Donald Trump, de man die vindt dat hij een Vredesprijs verdient maar ondertussen zijn eigen bevolking met pepperspray bestrooit.
Alex zag een vrouw met tranende ogen. Pepperspray. Dat spul waarmee je normaal alleen agressieve pitbulls en dronken vrijgezellenfeesten tot bedaren brengt. Alex deed wat hij altijd deed: helpen. Foutje.
Vier, vijf agenten doken bovenop hem alsof hij net had geroepen dat Elvis nog leeft. Ze sloegen hem tot moes. En toen — altijd een fijn moment in een democratie — trok er eentje een pistool. Zeven, acht schoten. Op een man die net iemand wilde helpen.
Geen enkele noodzaak, zou je denken. Maar nee hoor. President Trump, die zichzelf ziet als een soort Gandhi met haargel, zette vrolijk foto’s online van een pistool dat “van Pretti zou zijn geweest”. Volgens Trump was het wapen geladen. Dat zegt hij er altijd bij. Bij alles. Ook bij zijn eigen hoofd.
Het ministerie van Binnenlandse Veiligheid sprak van “zelfverdediging”. Pretti zou de agenten met een vuurwapen hebben benaderd en zich hevig hebben verzet. Dat is altijd zo handig aan dode mensen: die spreken je niet meer tegen.
Ooit was Amerika trots op zijn grondwet. Vrijheid van meningsuiting. Recht om te demonstreren. Tegenwoordig lijkt het steeds meer op een democratisch gekozen dictatuur met een cowboyhoed. Een land waar paramilitaire clubs als ICE door de straten trekken om de eigen bevolking “veilig” te houden tegen… ja, tegen wat eigenlijk?
Waarom staat een immigratiedienst bij demonstraties? Zijn daar soms paspoorten te stempelen? Nee. Ze staan er om mensen die tegen hun werkwijze protesteren de mond te snoeren. Letterlijk. Met wapenstok, knie en — als het meezit — een magazijn.
En waarom demonstreren mensen tegen ICE?
Omdat die heren en dames tegenwoordig gemaskerd, in bivakmutsen, wijken binnenvallen met veel arbeidsmigranten. Ze spreken willekeurig mensen aan. Niet omdat ze iets hebben gedaan, maar omdat ze er “mogelijk immigrant” uitzien. Dat heet etnisch profileren, maar in Amerika noemen ze dat gewoon “beleid”.
Kun je geen papieren laten zien? Jammer joh. Mee. Soms laten ze de kinderen achter in de auto. Handig. Kunnen die alvast wennen aan therapie.
Wie eenmaal binnen is, verdwijnt in een van de detentiecentra. Daar zitten honderdduizenden mensen opgesloten. Veruit de meesten zonder strafblad. Onder zware omstandigheden. In 2025 stierven er al 32. Hartstilstand, tuberculose, zelfmoord. Het dodelijkste jaar in twintig jaar tijd.
Maar geen paniek, het is allemaal voor de veiligheid.
En dan zegt men: “Je mag geen vergelijkingen trekken met vroeger.” Dat is waar. Dat mag eigenlijk niet. Maar soms dringt die vergelijking zich zo schaamteloos op dat hij gewoon op tafel springt en hard “boe” roept.
Gemaskerde agenten. Willekeurige arrestaties. Kinderen die hun ouders kwijtraken. Detentiecentra vol mensen zonder proces. Propaganda via sociale media. Een leider die zichzelf een vredesengel vindt terwijl de straten rood kleuren.
Het is moeilijk om géén gelijkenissen te zien met een gitzwarte periode uit de twintigste eeuw.Maar goed. Het is Amerika. The land of the free.
Vrij om doodgeschoten te worden terwijl je iemand helpt.