Het is een merkwaardige tijd voor het Nederlandse pensioenbeleid. Terwijl Brussel ons prijst als het enige land in de eurozone dat z’n pensioenhuishouding écht op orde heeft — met gigantische reserves en een solide aanvullend stelsel — lijken Nederlandse politieke partijen vooral bezig die kracht systematisch af te breken.
In de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s springen de plannen meteen in het oog: bijna alle grote partijen willen de grondslag voor pensioenopbouw verlagen. De aftoppingsgrens, nu €137.800, moet omlaag volgens JA21, D66, Volt, GroenLinks/PvdA, ChristenUnie, NSC en SGP. Waarom? Het levert de overheid belastinginkomsten op, want elke euro die níét fiscaal vriendelijk mag worden ingelegd, levert de schatkist direct geld op.
Maar het effect op lange termijn is duidelijk: minder pensioenopbouw, meer afhankelijkheid van de AOW, en dus grotere druk op een publieke regeling die we juist steeds moeilijker kunnen betalen.
Alsof dat niet genoeg is, willen sommige partijen ook de verplichte pensioenopbouw verlagen. De VVD en JA21 willen de verplichting laten stoppen bij een inkomen van €60.000, D66 bij €75.000. Daarboven is het ieder voor zich. Dat klinkt stoer — “minder verplichtingen!” — maar in de praktijk betekent het dat tienduizenden mensen straks zonder dat ze het merken minder pensioen opbouwen. En niemand zegt het erbij: in het nieuwe pensioenstelsel komt gemiste opbouw nooit meer terug.
En dan de AOW-plannen. GroenLinks-PvdA, NSC en D66 willen de AOW-franchise verhogen. Dat klinkt technocratisch, maar betekent dat werknemers minder fiscaal vriendelijk pensioen kunnen sparen. De ChristenUnie wil juist de AOW verlagen, wat tot hogere pensioenpremies leidt. Allemaal verschillende routes, maar telkens dezelfde uitkomst: de pensioengrondslag krimpt.
Nederland verkleint dus systematisch de ruimte voor pensioenopbouw.
En precies op dat moment gebeurt er in Brussel iets opvallends.
De Europese Commissie, die het Nederlandse stelsel jarenlang als ‘te duur’ en ‘te complex’ heeft gezien, komt vandaag met het advies aan de rest van Europa om… het Nederlandse voorbeeld te volgen. Automatische deelname aan pensioenregelingen, meer aanvullende opbouw, betere fiscale behandeling, draagbare pensioenpotjes (PEPP), en meer transparantie — Brussel probeert te bouwen aan een soort mini-versie van onze tweede pijler.
Waarom? Omdat de vergrijzing Europa overspoelt en vrijwel alle lidstaten hun aanvullende pensioenstelsel hebben verwaarloosd. Veel landen betalen pensioenen volledig uit de lopende begroting. Dat is onhoudbaar. Dat wisten wij al decennia, maar daar begint men nu pas wakker te worden.
Europa zegt: “Sparen, sparen, sparen — anders stort het systeem in.”
Nederland zegt: “Het kan wel een tandje minder.”
Het contrast kan bijna niet groter.
Wat Brussel ziet als een voorbeeld van financiële degelijkheid, behandelen Nederlandse politici als een handige geldautomaat om gaten in de begroting te vullen. De structurele schade blijft onzichtbaar, want die presenteert zich pas over twintig of dertig jaar, wanneer de middeninkomens massaal ontdekken dat hun pensioen toch wat minder bleek dan gedacht. Maar dan zijn de politici van nu allang met pensioen — met hun eigen riante regeling.
Wat blijft, is een ongemakkelijke conclusie:
de rest van Europa probeert ons in te halen, terwijl wij achteruit lopen.
En dat in een wereld waarin pensioenstabiliteit juist waardevoller is dan ooit.