We hebben een nieuw regeerakkoord.
Dat is altijd een beetje alsof je een nieuwe doos hagelslag opent en er na twee happen achter komt dat iemand er vooraf al de helft uit heeft gezogen. De verpakking belooft van alles – “krachtig”, “toekomstgericht”, “eerlijk”, “weerbaar” – maar na een paar bladzijden proef je vooral… lucht. En heel veel managementtaal. Van die woorden die alleen worden uitgesproken als er iemand met een clicker naast een scherm staat.
D66, VVD en CDA hebben elkaar weer gevonden in een zorgvuldig afgestemde presentatie over Nederland. Een land dat volgens het akkoord barst van talent, innovatie en veerkracht – maar waar gek genoeg altijd precies te weinig geld is voor mensen die ziek zijn, oud worden of gewoon pech hebben. Voor hen is er vooral: “prikkels”, “eigen verantwoordelijkheid” en “herprioritering”. Dat zijn eigenlijk drie chique synoniemen voor: zoek het uit.
In elk coalitieakkoord staan goede en slechte dingen. Ik kan onmogelijk alles bespreken. En dat scheelt, want dan zou deze column eindigen in een burn-outregeling voor columnisten. Met een re-integratietraject via een “LLO-infrastructuur” en een “efficiencydoelstelling” voor mijn sarcasme.
Maar één ding valt wel meteen op: het bedrijfsleven lijkt er uitstekend vanaf te komen. Champagne, bitterbal, netwerkborrel, LinkedIn-post met “trots op deze stap voor Nederland”. Foto erbij van een man in een colbert zonder stropdas, armen over elkaar, lachje dat zegt: “Ik ben benaderbaar, maar niet voor jou.” Het land van de belastingmoraal blijft het land van de fiscale bijsluiter.
Of dat voor gewone burgers net zo prettig uitpakt, valt nog te bezien. Laten we eens een kleine, onschuldige greep doen uit de maatregelen. Een soort safari door beleidsjungle Nederland: je rijdt langzaam langs prachtige exotische woorden, en ineens springt er een bezuiniging uit de struiken die je portemonnee bijt.
De vereenvoudiging die begint met een spreadsheet
“Met een periodieke Vereenvoudigingswet worden wetten en regels continu verbeterd. We starten met het schrappen en vereenvoudigen van minimaal 500 regels en stellen daarna een target per ministerie.”
Kijk. Dat klinkt heerlijk. Alsof er eindelijk iemand met een grote bezem door Den Haag gaat. Ik zie ze al lopen: beleidsmakers in fluohesjes met een bladblazer door het Staatsblad. Een soort schoonmaakploeg van bestuurlijke hygiëne. En achter hen een fotograaf die vastlegt hoe daadkrachtig het allemaal oogt.
Het verminderen van regels is goed. Natuurlijk. Dat vindt zelfs de Raad van Regeltjes. Maar een minimum van 500 regels schrappen? Dat is alsof je tegen de brandweer zegt: “Vandaag moeten er minimaal vijf branden geblust worden. Anders telt het niet.” Dan krijg je dus brandweerlui die ’s ochtends even snel een papierbak aansteken om aan de norm te komen.
Bovendien: regels komen zelden uit sadisme van ambtenaren. Ze komen voort uit… politiek. Uit compromissen. Uit drie partijen die elkaar niet vertrouwen. Uit moties. Uit incidenten. Uit Kamerleden die na een talkshowoptreden ineens “iets moeten regelen”. Uit de eeuwige drang van Den Haag om het leven te willen modeleren alsof het een Excel-sheet is die je met een paar formules schoon kunt krijgen.
Dus wat gaat er gebeuren? Een leger beleidsmedewerkers gaat maandenlang vergaderen over welke regels er op papier geschrapt mogen worden, zodat we daarna weer met z’n allen kunnen vaststellen dat de onderliggende problemen nog precies hetzelfde zijn. De grote vereenvoudiging wordt dus eerst een grote exercitie. En die kost… capaciteit. Heel veel capaciteit. Je moet namelijk eerst precies uitzoeken welke regel waar staat, waarom die er staat, wie hem ooit heeft gevraagd, en wie er straks boos wordt als je hem weggooit.
Dat is het mooie aan “vereenvoudigen”: het is net verbouwen. Het klinkt als “even wat muren weghalen”, maar je eindigt met vijftien aannemers, drie bouwvergunningen en een buurman die klaagt over geluidsoverlast. En dan ontdek je dat die muur dragend was. Zoals half Nederland.
Snuffelstages met een notitieblok
“Er komen uitwisselingsprogramma’s tussen departementen, uitvoeringsorganisaties en maatschappelijke organisaties.”
Snuffelstages voor beleidsmakers. Een ambtenaar die een weekje bij een wijkteam meeloopt en daarna in een evaluatie schrijft: “De doelgroep ervaart knelpunten.” Wat een ontdekking. Volgende week gaat hij naar de schuldhulpverlening en komt hij terug met de revolutionaire conclusie: “Mensen hebben schulden.”
Het oogt sympathiek. Natuurlijk. “Kijk ons betrokken zijn.” Maar voor wie zijn deze uitwisselingen eigenlijk? En hoeveel uren verdwijnen er ondertussen uit organisaties die nu al nauwelijks hun werk rond krijgen? Ik zie het al voor me. De verpleegkundige die eindelijk extra handen krijgt, maar het blijkt een beleidsadviseur te zijn die op een notitieblok schrijft: “Interessant hoe hectisch dit is.” En dan op vrijdagmiddag zegt: “Ik neem waardevolle inzichten mee terug.” Waarna de verpleegkundige nog zes nachtdiensten achter elkaar draait.
Het is ook zo’n typisch idee uit de categorie: “We gaan de kloof overbruggen.” In de praktijk is dat vaak een brug van papier-maché, die instort zodra iemand er met een echte casus overheen loopt. Want wie heeft tijd om in een organisatie die al tekort komt, mensen vrij te maken om elkaar “te leren kennen”?
Minder ambtenaren, meer chaos
“We willen toe naar een fundamenteel efficiëntere en effectievere overheid, met veel minder complexe regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat… een rijksbrede taakstelling.”
Altijd weer die magische zin: minder ambtenaren. Dat is politiek de goedkoopste belofte die er bestaat. Ambtenaren zijn namelijk een perfecte zondebok. Ze stemmen niet collectief, ze hebben geen talkshows en je kunt ze niet op straat filmen met huilende kinderen. Ambtenaren hebben zelden een actiegroep met fakkels. Ambtenaren hebben vooral… dossiers.
Maar de realiteit is weerbarstiger. De meeste ambtenaren die er de afgelopen jaren zijn bijgekomen, zijn nodig geweest om puinhopen op te ruimen die de politiek zelf heeft veroorzaakt. Hersteloperaties. Compensatieregelingen. Uitzonderingen op uitzonderingen. Regelingen op regelingen. En ondertussen blijven die politieke wensen maar binnenstromen. Iedere week weer een nieuw idee. Iedere week weer een nieuwe regeling. Iedere week weer een nieuw uitvoeringsprobleem.
En nu komt er een rijksbrede taakstelling. De minister van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties coördineert de vernieuwing van de Rijksdienst. Dat klinkt alsof je een diëtist op een snoepfabriek zet.
“We gaan minder suiker produceren.” Terwijl de directie elke week met een nieuwe lolly komt: “Kunnen we deze in de vorm van een eenhoorn doen? En met extra glitters? En het moet morgen af.”
Efficiënter kan het zeker. Maar een grote kaasschaaf over een systeem dat al piept en kraakt, leidt zelden tot een betere overheid. Het leidt vooral tot nog minder tijd om burgers fatsoenlijk te helpen. En wat gebeurt er dan? Dan gaat de politiek roepen dat “de overheid faalt”, en dan komen er weer nieuwe hersteloperaties, en dan moeten er weer ambtenaren bij. Het is een soort bestuurlijke perpetuum mobile, maar dan met ellende.
Efficiencydoelstellingen voor uitvoerders
“Uitvoeringsorganisaties krijgen jaarlijks een efficiencydoelstelling waarvan de helft mag worden herinvesteerd in doelmatigheid en verbetering.”
Klinkt goed. Maar hoe weet je eigenlijk dat ze daardoor beter gaan functioneren? Veel problemen bij uitvoeringsorganisaties ontstaan niet door luiheid, maar door onmogelijke regels, onduidelijke opdrachten en voortdurende beleidswijzigingen. Het probleem zit vaak niet aan de uitvoeringskant. Het probleem zit aan de vraagkant.
Maar ja, het is natuurlijk makkelijker om de slager te verplichten efficiënter te snijden, dan om eens te kijken waarom iedereen elke week een ander soort vlees bestelt. En waarom de slager bovendien elke week een nieuw mes krijgt, maar nooit een slijpsteen.
En dan die efficiencytaakstelling op de rijksoverheid. Een prachtig woord, efficiencytaakstelling. Dat klinkt alsof er iemand met een stopwatch door de gangen loopt, terwijl er zachtjes wordt gefluisterd: “Kan dit niet sneller? Kan dit niet goedkoper?”
De apparaatsuitgaven moeten structureel omlaag, keurig naar rato per departement en uitvoering. Iedereen doet mee. Nou ja, bijna iedereen.
Want er zijn uitzonderingen. Veel uitzonderingen. De politie. Justitie. De rechterlijke macht. Begrijpelijk. De NAVO. Ook logisch. Groningen. Moreel onvermijdelijk.
En dan ineens, daar staat hij tussen: de Koning.
De enige ambtenaar van Nederland met een puur symbolische functie. De enige werknemer van de staat die nooit functioneringsgesprekken heeft, nooit targets hoeft te halen en nooit een efficiencyadvies krijgt. De enige ambtenaar die niet “lean” hoeft te werken, maar wel een hofhouding mag houden die rechtstreeks uit de achttiende eeuw lijkt te zijn geïmporteerd.
De arbeidsongeschikte kan het heen en weer krijgen. Die mag inleveren. Die mag langer wachten. Die mag minder krijgen. Die mag vooral begrijpen dat het “onvermijdelijk” is.
Maar de Koning? Nee. Die wil zijn lakeien houden. Zijn adjudanten, zijn ceremoniemeesters, zijn staf, zijn protocollen, zijn rijtuigen en zijn paleislogistiek. Want daar zit blijkbaar geen gram inefficiëntie meer in.
Het is een bijzonder signaal: in een land waar alles doelmatiger moet, waar ambtenaren verdwijnen, loketten sluiten en burgers meer zelfredzaam moeten worden, blijft juist het meest symbolische ambtenarenapparaat volledig buiten schot. De man die niets uitvoert, niets beslist en nergens voor verantwoordelijk is, wordt ontzien. Terwijl mensen die wel iets mankeren, wel iets missen en wel afhankelijk zijn van de overheid, te horen krijgen dat ze “mee moeten bewegen”.
Misschien is dat wel de kern van dit akkoord: wie echt nodig heeft, moet snijden. En wie vooral symbool staat, mag blijven staan.
Met lakeien. Uiteraard.
Topmanagement dat blijft zitten
De Algemene Bestuursdienst gaat zich richten op topmanagement, en topfuncties wisselen niet vaker dan eens per zeven à negen jaar.
Prima. Stabiliteit. Continuïteit. En eerlijk: het is ook wel prettig als je niet om de twee jaar een nieuwe baas krijgt die zegt: “Ik kom even met frisse blik binnen.” Frisse blik is namelijk meestal code voor: “Ik ga eerst drie maanden interviews doen, dan een strategiedocument schrijven, en daarna vertrek ik naar een ander ministerie.”
Maar het valt en staat met wat we topmanagement noemen. Als topmanagement vooral het beheren van je eigen carrière is, dan kun je iemand rustig negen jaar laten zitten: hij wordt er vanzelf heel goed in. Als topmanagement inhoudelijk leiderschap is, dan is het misschien tijd om te eisen dat mensen ook daadwerkelijk ergens verstand van hebben. Beleid is geen franchiseformule.
Voetbal als proeftuin voor strafrechtelijke poëzie
Dan krijgen we ineens… voetbal.
“Betaald voetbalorganisaties moeten plannen hebben voor antiracisme, gelijkheid, inclusie en een sociaal veilig klimaat. Playbacken bij discriminerende spreekkoren wordt zelfstandig strafbaar.”
Ik begrijp de wens. Echt. Racisme in stadions is walgelijk. En dat clubs verantwoordelijkheid moeten nemen: prima. Maar dan die uitvoering.
Wordt iedere supporter individueel afgeluisterd? Krijgen we handhaving met lip-lees-experts? Komt er een nieuw specialisme bij de politie: mompelbrigade? En vooral: playbacken strafbaar. Het mogelijk onhoorbaar uiten van een mogelijk strafbaar spreekkoor wordt een zelfstandig strafbaar feit.
Dus als ik zing met mijn hand voor mijn mond? Cel. Als ik mijn sjaal iets te hoog trek? Cel. Als ik gewoon de tekst van Sweet Caroline verkeerd mompel? Cel. “Where it began… I can’t begin…” — boeien, agent, ik ben schuldig!
Is dit iets wat je in een vrij land wilt? Is dit iets dat de druk op justitie vermindert? Is dit iets dat daadwerkelijk discriminatie terugdringt? Of creëren we hier vooral een prachtig nieuw juridisch moeras waar weer tientallen ambtenaren en juristen fulltime mee bezig mogen zijn, terwijl de echte oplossing – opvoeding, cultuur, consequent clubbeleid – veel minder sexy klinkt?
Het is zo typisch: je wilt een maatschappelijk probleem oplossen, maar je pakt het aan alsof het een fout parkeerbonnetje is. Meer regels, meer straf, meer procedures. En dan verbaasd zijn dat het probleem zich niet gedraagt.
Woningen: de tuin wordt de nieuwe Vinex
Dan de woningmarkt. Altijd de woningmarkt.
“Het Rijk stelt minimumomstandigheden op voor splitsen, optoppen, woningdelen, hospitaverhuur en mantelzorgwoningen… familie- en mantelzorgwoningen op eigen terrein vergunningsvrij.”
Heel begrijpelijk. Iedereen mag vrijuit een container in de tuin zetten. En vastgoed wordt voor de vermogenden weer aantrekkelijk om verder uit te ponden. De woningnood wordt zo deels opgelost door de tuin van Nederland vol te zetten met schuurtjes met wifi.
Ik zie de toekomst al: je koopt een rijtjeshuis, en je koopt er een hele kleine wijk bij. Een mantelzorgwoning, een studentenunit, een “tiny house” voor je schoonzus die “even tot rust komt”, en een Airbnb-container voor “extra inkomsten”. De haag is de nieuwe gemeentegrens.
Het klinkt modern, flexibel, creatief. Maar het is ook een stille erkenning dat we het grote probleem niet oplossen: er zijn te weinig huizen. Dus dan doen we alsof het een feature is dat je je achtertuin kunt exploiteren.
“De fiscale behandeling van de eigen woning blijft ongewijzigd.”
De betaalbaarheid zit niet zozeer in de fiscaliteit. Die zit in het simpele feit dat er te weinig woningen zijn. Maar dat is minder leuk om te zeggen, want dat vraagt om bouwen. En bouwen vraagt om… regels. En regels wilden we net schrappen. Het akkoord is soms net een hond die zijn eigen staart achterna zit en vervolgens verbaasd is dat hij duizelig wordt.
“Permanente bewoning van recreatiewoningen wordt mogelijk.”
Begrijpelijk. Maar het betekent wel dat je straks op vakantie gaat en tussen de permanent teleurgestelde mensen zit die daar wonen omdat ze nergens anders terecht kunnen. En laten we eerlijk zijn: een gemiddelde recreatiewoning is ontworpen voor een midweekje regen in Drenthe. Niet voor een leven. Maar goed: het biedt mensen in elk geval iets. Vrijheid. En vooral: een dak.
Europa: harmoniseren tot het pijn doet
Dan het Europese hoofdstuk. Altijd dat hoofdstuk waar iedereen gaat praten alsof ze in een lift staan met een consultant.
Kapitaalmarktunie, bankenunie, harmonisatie van toezicht, faillissementsrecht.
De Europese Unie is zo verdeeld in inkomsten, schulden en begrotingen, dat dit voor Nederland vooral risico’s oplevert. Maar het klinkt prachtig in Brussel. En nog mooier in Engelstalige beleidsdocumenten. “Streamlining.” “Harmonisation.” “Deepening of capital markets.” Het zijn woorden die je kunt uitspreken zonder ooit een kapitaalmarkt van dichtbij te hebben gezien.
Europese cofinanciering via fondsen, de Chips Act 2.0, IPCEI’s.
Opnieuw: de verdeeldheid binnen Europa maakt dit voor Nederland vooral een dure hobby. Maar goed, als je “IPCEI” zegt, klinkt het meteen alsof je een internationale grootmacht bent. Alsof we elk moment een lanceerplatform in de polder openen en iedereen ineens in microchips kan wonen.
Het echte feest: bedrijven
“Fiscaal stabiel vestigingsklimaat. Uitbreiding van de WBSO voor AI en technologie. Behoud van de Innovatiebox. Kredieten voor het mkb blijven. Vennootschapsbelasting gaat niet omhoog.”
Bedrijven hebben een mooi akkoord. Ook de belegger in box 2 kan rustig ademhalen.
En cynisch genoeg is het wel elegant geformuleerd: de vrijheidsbijdrage voor bedrijven is ingevuld als een taakstellende verhoging van de arbeidsongeschiktheidsfonds-premie. Cynisch: goed om te lezen dat de bijdrage aan de betaalbaarheid van arbeidsongeschiktheid wordt besteed aan defensie. Volkomen logisch. Je been breken voor de veiligheid van het vaderland.
Dat is bijna poëzie: je wordt ziek, je wordt gekort, en daarvan kopen we tanks. Solidariteit 2.0: je draagt bij, ook al lig je plat. Letterlijk.
“We stimuleren dat mensen hun spaargeld meer beleggen in de Nederlandse economie… Box 3 op werkelijk rendement door ontwikkelen naar vermogenswinstsystematiek.”
Zeer wenselijk. Maar het eenvoudigste is natuurlijk: belast alleen gerealiseerde vermogenswinsten. Niet papieren winsten. Niet fictieve rendementen. Gewoon: winst is winst. Het wetsvoorstel dat nu in de Kamer ligt kan dan meteen de shredder in. Maar dat zal wel te simpel zijn. Simpel is verdacht in Den Haag. Simpel betekent dat iemand het begrijpt, en dan kan die persoon er ook boos over worden.
“Familiebedrijven zijn van groot belang, daarom versoberen we de bedrijfsopvolgingsregeling niet.”
Bijkomend voordeel: de echte rijken hoeven in ieder geval niet mee te betalen aan de samenleving. Dat zijn ook precies de mensen die hun vermogen het makkelijkst kunnen verplaatsen. Maar gelukkig hebben we nog genoeg trouwe belastingbetalers. De sitting ducks. De mensen die een klein beetje proberen op te bouwen en verder als loonslaaf keurig worden geknipt en geschoren.
Nederland, het land waar “middenklasse” een beleidsdoel is, en “middenklasse” tegelijkertijd de pinautomaat.
Oekraïne, “onomkeerbaar” en andere toverwoorden
Dan Oekraïne.
“Oekraïne bevindt zich op een onomkeerbaar pad richting EU- en NAVO-lidmaatschap.”
Onomkeerbaar. Dat is een bijzonder woord in de politiek. Alsof er een natuurwet is aangenomen. Alsof het in de zwaartekracht staat. Maar politieke processen zijn zelden onomkeerbaar. Ze zijn vooral: ingewikkeld, betwist, en afhankelijk van de werkelijkheid. En die werkelijkheid heeft de irritante gewoonte om niet te luisteren naar regeringsakkoorden.
Los daarvan: de EU is nu al kwetsbaar. Nog meer landen toevoegen die moeite hebben om aan de regels te voldoen, maakt die unie niet automatisch sterker. Sterker nog: het kan de boel ook verder verdunnen, zoals je soep verdunt door er nog een liter water bij te gooien en dan trots te roepen dat je “meer soep” hebt.
“We pakken landen die Europa ondermijnen, zoals Hongarije en Slowakije, hard aan… artikel 7 vereenvoudigen… stemrecht ontnemen.”
Kijk, dat klinkt daadkrachtig. Maar dan rijst de vraag: waarom dan Oekraïne toelaten? Dat is toch een beetje alsof je zegt dat je strengere eisen stelt aan brandveiligheid – en ondertussen een houten flatgebouw toevoegt. Je kunt best streng zijn, maar dan moet je ook consequent zijn. Anders is het vooral theater.
(En theater is prima, begrijp me niet verkeerd, maar dan moeten we er tenminste kaartjes voor verkopen en het geld in de zorg stoppen.)
Defensie met een Europees sausje en een Canadese topping
Dan de defensie.
“Constructief tegenover Europese defensie-investeringen… Europees Defensiefonds… SAFE-instrument voor defensieleningen… open voor bondgenoten als het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Canada.”
Meer Europa is geen oplossing. Samen sterk staan is belangrijk, zeker. Maar dat kan ook zonder dat we een Europese defensiebank bouwen waar iedereen garant staat voor iedereen en waar de kleinste lettertjes altijd door de grootste landen worden geschreven.
En waarom hoort Canada er nu bij? Canada is een prachtig land, maar het ligt nogal… niet in Europa. Het voelt alsof iemand bij het schrijven dacht: “We moeten iets trans-Atlantisch noemen, anders klinkt het niet serieus.”
Straks krijgen we een Europees instrument met een naam die klinkt als een energiedrankje, en dan gaan we gezamenlijk investeren in een “weerbare industrie” en dan blijkt dat de fabriek in een ander land staat en de banen daarheen gaan. En wij? Wij mogen garant staan “naar rato van onze economie”. Naar rato is altijd een woord dat je pas begrijpt als je de rekening ziet.
Arbeidsmarkt: als je valt, val je dieper
Dan komt de arbeidsmarkt, oftewel: het hoofdstuk waar je als werknemer vooral leert dat je een kostenpost bent die zichzelf moet blijven upgraden.
“De transitievergoeding wordt hervormd… gekoppeld aan de LLO-infrastructuur… werkgevers die tijdig investeren krijgen lagere of geen verplichtingen… compensatie na twee jaar ziekte wordt afgeschaft.”
Met andere woorden: bij ontslag krijg je in de praktijk nauwelijks nog een vergoeding. Alles wordt “transitie”. Je krijgt geen geld, je krijgt “mogelijkheden”. Je krijgt geen buffer, je krijgt een cursus. Alsof iemand die net zijn baan kwijt is, vooral behoefte heeft aan een PowerPoint over “persoonlijk leiderschap”.
Gecombineerd met lagere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en een kortere WW wordt er vooral geld opgehaald bij mensen die al in de problemen zitten. Dat is geen transitie. Dat is doorschuiven. Naar de bijstand. Naar schuld. Naar stress. Naar de huisarts.
“WW hoger in het begin en verkort naar één jaar.”
Die verhoging is beperkt: tien procent. En alleen de eerste twee maanden. Het is een pleister van postzegelformaat op een financiële slagaderlijke bloeding. Daarna moet je het maar redden. Maar dat heet dan “prikkel”. Prikkels zijn altijd iets voor mensen die al een bankrekening hebben die kan prikken.
“AOW stijgt mee met de levensverwachting.”
Dat ik ouder word, betekent niet dat ik ook langer in staat ben mijn werk uit te voeren. Mensen van zeventig – als ze dat al worden – kunnen vaak fysiek en mentaal een stuk minder. Dit is typisch het soort beleid dat er in grafieken fantastisch uitziet. In de praktijk betekent het vooral: mensen langer laten ploeteren, en wie het niet redt, komt bij… juist. De regelingen waar we net op gaan bezuinigen.
Zorg: solidariteit met een eigen bijdrage
Dan de zorg. Het hoofdstuk waar je altijd voelt dat er iemand aan het rekenen is met jouw nieren.
“Om verhoging van zorgpremies te voorkomen handhaven en indexeren we het eigen risico en verhogen we het met 60 euro per 2027. Maximaal 150 euro per behandeling.”
Wel jammer dat je daarmee de rekening bij de zieken legt. Zij kiezen er niet voor om ziek te worden. Collectieve voorzieningen zijn er uit solidariteit met elkaar. En nu laat je een groep die vaak ook nog een lager inkomen heeft, een groter deel betalen. Dat is weinig sociaal en solidair te noemen.
“Bevriezen aftoppingsgrens pensioen.”
In totaal acht jaar bevroren. Acht jaar waarin mensen minder pensioen kunnen opbouwen met fiscale faciliteiten, waardoor ze naar andere producten moeten uitwijken om straks nog te kunnen voorzien. Terwijl belasting op vermogen in box 3 al onrealistisch is gewijzigd en verhoogd. Met andere woorden: je zegt “zorg voor jezelf”, maar je maakt het tegelijk moeilijker om dat te doen. Het is alsof je iemand een zwemadvies geeft en vervolgens het zwembad leeg laat lopen.
“Bezuiniging van meer dan 1,1 miljard op de uitkering van mensen die helemaal niet meer kunnen werken.”
Dat is misschien wel de meest pijnlijke uit het hele akkoord. Want deze mensen kunnen het simpelweg niet opvangen. Je bezuinigt hier op een groep die geen onderhandelingspositie heeft. Geen alternatief. Geen “vermogen om bij te sturen”. Alleen een lichaam dat niet meer meewerkt.
“Dagloon 20% verlaagd voor arbeidsongeschikten.”
Dus arbeidsongeschikten krijgen structureel minder. Geen ronkende koppen. Geen talkshowtafels. Maar wel een harde realiteit die zich afspeelt achter voordeuren, in stille keukens, met rekeningen op tafel en schaamte in de ogen.
En dan – alsof het nog niet genoeg is – de term van het jaar:
“Vrijheidsbijdrage burgers.”
Dat klinkt als een armbandje op een festival. Je krijgt er vast ook een polsbandje bij met camouflageprint: Welcome to Freedomland. Maar het is gewoon een belastingverhoging. Verstopte belastingverhoging, via de tabelcorrectiefactor. 1,5 miljard in 2027. Vanaf 2028 structureel 3,4 miljard.
Vrijheid blijkt vooral iets te kosten. Vooral voor mensen die niet in staat zijn hun geld in bv’s, holdings en constructies te parkeren. Vrijheid is kennelijk een abonnement: bedrijven krijgen de proefperiode, burgers betalen het jaarcontract.
Zorgverzekeraars: de nieuwe poortwachters van je hoofd
Dan de zorgverzekeraars.
“Ongecontracteerde zorg wordt niet meer vergoed.”
Schandalig. Ook die zorg draagt bij aan het welzijn van mensen. En gecontracteerde zorg betekent vaak: meer regels en bureaucratie voor de zorgverlener. Ongecontracteerde zorg van bijvoorbeeld psychologen is net zo goed en net zo duur als gecontracteerde, en draagt juist bij aan het terugdringen van wachtlijsten.
Maar nu dwing je iedereen tot gedwongen winkelnering en leg je de macht bij de zorgverzekeraars. De verzekeraar als curator van je mentale gezondheid. De polis als toegangsbewijs tot therapie.
Psychologen die niet meedoen aan de bureaucratische circusact verdwijnen uit beeld. Niet omdat ze slechter zijn. Maar omdat ze niet in het juiste vinkjesysteem passen.
“Minder geneesmiddelen worden vergoed.”
Welke? Dat blijft nog even spannend. Maar het pakket is nu al niet toereikend. “Minder vergoeden” klinkt altijd alsof het over luxe gaat. Alsof we massaal aan de merkgeneesmiddelenverslaving zitten. Maar in de praktijk betekent het: meer bijbetalen, meer stress, meer ongelijkheid. De ene slikt het, de ander slikt de rekening.
“Scheiding van woonkosten en zorg in Wlz-instellingen.”
Hoe waardeer je de woonruimte in een zorginstelling? Zo gezellig zijn die niet. Een kamer met een bed, een kast, en uitzicht op het parkeerterrein. Ik vrees dat de prijs straks niet in verhouding staat tot het aanbod. Het is een manier om ook hier nog even de laatste centen uit de zak van zorgbehoevenden te kloppen. Mensen die hun onafhankelijkheid al kwijt zijn, mogen straks ook hun financiële rust inleveren.
“Aftrek zorgkosten wordt afgeschaft.”
En dat bovenop: minder vergoedingen, hoger eigen risico, minder medicijnen, meer eigen bijdragen. De zieke medemens betaalt. Niet omdat hij iets fout heeft gedaan. Maar omdat hij ziek is.
En dan weer terug naar dat begin: lucht
En zo lees je dit akkoord. Pagina na pagina. Termen als weerbaarheid, toekomstbestendig, innovatiekracht. Maar onder de streep zie je een heel bekend patroon:
Bedrijven krijgen ruimte.
Kapitaal krijgt stabiliteit.
Brussel krijgt plannen.
En de burger? Die krijgt vooral meer eigen verantwoordelijkheid. Meer zelfredzaamheid. Meer risico. Meer rekening.
Het regeerakkoord ademt vertrouwen. Maar niet in mensen. Het ademt vooral vertrouwen in systemen, fondsen, constructies en modellen. Het soort vertrouwen dat je krijgt als je lang genoeg in vergaderzalen hebt gezeten en vergeten bent hoe het is om een rekening te krijgen die je niet kunt betalen.
En als het straks toch niet werkt?
Dan hebben we altijd nog een nieuwe vereenvoudigingswet.
Met minimaal vijfhonderd nieuwe regels om de vorige regels op te ruimen.
Want dat is misschien wel de meest Nederlandse conclusie denkbaar: we lossen de rommel op met een schema, een target en een evaluatie.
En daarna drinken we er een glas op.
Champagne voor het bedrijfsleven.
En voor de rest… hagelslag.
Maar dan wel met minder korrels. Omdat het efficiënter is.