Ze hebben weer een oplossing gevonden.
Dat hoor je altijd meteen.
Niet: “we hebben een ingewikkeld probleem”, maar: “we hebben een model.”
In de NRC las ik dat de rijken misschien maar wat later met pensioen moeten. Want – hou je vast – die leven gemiddeld langer. En dan kan het systeem “in balans”.
In balans.
Dat woord hoor je tegenwoordig alleen nog bij yogaleraressen en beleidsmakers.
Een gezondheidseconoom stelt voor om het allemaal wiskundig te regelen. Je deelt Nederland in keurige bakjes in – laag inkomen, hoog inkomen, beetje midden – en dan rekent een spreadsheet uit wie wanneer mag stoppen met werken.
Klaar. Probleem opgelost. Mens eruit, Excel erin.
Het idee is simpel.
Wie meer verdient, leeft langer.
Dus wie meer verdient, moet langer doorwerken.
En hier begint mijn hoofd zachtjes tegen de muur te tikken.
Want wat staat hier nou eigenlijk?
Er staat niet: rijke mensen leven langer.
Er staat: groepen mensen met een hoger inkomen hebben gemiddeld een hogere levensverwachting.
Dat is iets totaal anders.
Maar in Den Haag is “gemiddeld” inmiddels een soort mens geworden.
De gemiddelde burger.
Hij bestaat niet, maar hij heeft wel een AOW-datum.
Het is een klassieke denkfout. Een heerlijke. Een beleidsklassieker.
Je neemt een statistiek op groepsniveau…
…en je gaat doen alsof die iets zinnigs voorspelt over een individu.
Dat is alsof je zegt:
“Gemiddeld hebben Nederlanders 1,7 kinderen, dus mevrouw Jansen krijgt er vanaf volgend jaar nog 0,7 bij.”
Succes met de kraamzorg.
Het artikel suggereert heel voorzichtig dat hogere inkomens kennelijk een langer leven veroorzaken. Alsof er ergens in het lichaam een klein financieel sensortje zit dat fluistert:
“O, u bent consultant? Dan plak ik er nog zes gezonde jaren aan vast.”
Maar inkomen is geen levenselixer.
Het is geen garantie.
Het is geen beschermlaag tegen een tumor, een hartstilstand of een ontspoorde fiets in februari.
En dan is er nog iets wat in die keurige grafieken altijd ontbreekt.
Namelijk: of iemand op die prachtige, doorberekende leeftijd überhaupt nog kan werken.
We worden wel ouder, ja.
Maar we worden niet automatisch beter.
Alsof zeventig het nieuwe vijftig is.
Iedereen die een beetje om zich heen kijkt weet beter.
Ruggen, knieën, longen, hoofden, concentratie, energie — het gaat bij heel veel mensen al ruim voor die magische pensioenleeftijd knarsen en kraken.
Rijk en arm. Manager en magazijnmedewerker.
De spreadsheet telt levensjaren.
Maar geen versleten schouders.
Geen chronische vermoeidheid.
Geen slapeloze nachten, geen pillendoosjes, geen halve werkdagen, geen stille aftakeling die zich niet netjes laat vangen in een staafdiagram.
Het debat gaat voortdurend over hoe lang we leven.
Maar zelden over hoe lang we nog leefbaar kunnen werken.
Het is hooguit een samenhang. Een correlatie.
Meer niet.
Toch wordt er beleid van gemaakt.
Want beleid houdt van nette lijntjes in grafieken.
Niet van rommelige mensen.
En dat is het echte probleem.
Niet dat we solidariteit willen.
Niet dat we zoeken naar rechtvaardigheid.
Maar dat we rechtvaardigheid proberen te bouwen op gemiddelden.
Alsof eerlijkheid hetzelfde is als rekenkundig netjes.
In dit model wordt u geen mens met een onzeker leven, een lichaam met gebreken en een geschiedenis van pech of geluk.
U wordt een datapunt.
U bent geen werknemer meer.
U bent een verwachtingswaarde.
Levensverwachting is namelijk geen persoonlijke voorspelling.
Het is een kansmaat over een hele bevolking.
Het zegt niets over wanneer u doodgaat.
Behalve dat u dat waarschijnlijk niet op een dinsdagmiddag kunt inplannen, tussen de tandarts en de bedrijfsborrel.
Maar het pensioenbeleid doet precies alsof dat wel kan.
Alsof mensen hun verwachte levensduur netjes kunnen verzilveren bij de balie.
“Goedemiddag, ik kom mijn statistische restjaren innen.”
Het wrange is: de bedoeling is sympathiek.
Echt.
Maar de redenering niet.
Want hier worden drie dingen vrolijk door elkaar gehaald:
gemiddelden worden gelijkgesteld aan rechtvaardigheid,
correlatie wordt behandeld als oorzaak
en onzekerheid wordt verkocht als voorspelbaarheid.
En dan krijg je beleid dat rationeel oogt, maar logisch kraakt.
Niet omdat het gemeen is.
Maar omdat het vergeet dat achter elke grafiek een mens zit die zich totaal niet gedraagt als een gemiddelde.
Gelukkig maar.
Want als we straks echt beleid maken voor de gemiddelde Nederlander,
dan vrees ik dat niemand van ons nog precies weet
wanneer hij met pensioen mag.
Behalve Excel.