De rechtbank bouwt voort op een eerdere tussenuitspraak waarin zij oordeelde dat het medisch onderzoek door het UWV gebrekkig was. Omdat de rechtbank twijfels hield over de medische beoordeling, heeft zij een onafhankelijke deskundige benoemd. Deze deskundige heeft eiser onderzocht, dossierstudie verricht en informatie ingewonnen bij de huisarts. Zij concludeert dat eiser per 8 februari 2023 als gevolg van long-covid met Post-Exertionele Malaise meer en verdergaande beperkingen heeft dan het UWV had aangenomen, waaronder een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week en een beperking voor tillen vanaf ongeveer 5 kg.
De rechtbank volgt in beginsel het oordeel van de onafhankelijke deskundige, omdat haar rapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent is gemotiveerd. Het betoog van eiser dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, slaagt niet. Gelet op het tijdsverloop sinds de datum in geding acht de rechtbank dat begrijpelijk. Ook het standpunt dat de noodzaak tot recuperatie onvoldoende in de Functionele Mogelijkhedenlijst is verwerkt, wordt verworpen. Volgens de rechtbank is de verhoogde recuperatiebehoefte voldoende verdisconteerd in de urenbeperking.
Anders oordeelt de rechtbank over het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser incidenteel tot 15 kg zou kunnen tillen. De rechtbank leest in het deskundigenrapport dat de beperking voor tillen is aangenomen om zwaar fysiek werk en piekbelasting te voorkomen. Daaruit volgt dat ook incidenteel tillen van circa 15 kg fysiek te zwaar is. De verwijzing van het UWV naar de VO2max van eiser overtuigt niet, omdat die volgens de deskundige relevant was voor de urenbeperking en niet voor de tilbeperking.
Omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij zijn beoordeling is uitgegaan van een ruimere tilbelasting, heeft hij ten onrechte geconcludeerd dat eiser geschikt is voor zijn eigen werk als advies- en servicemedewerker, waarin incidenteel tot 15 kg moet worden getild. De rechtbank oordeelt daarom dat het bestreden besluit, ook na herstelpoging, onvoldoende is gemotiveerd.
De rechtbank doet een tweede tussenuitspraak en geeft het UWV de gelegenheid het gebrek te herstellen. Uitgaande van de door de deskundige vastgestelde beperkingen moet een nieuw arbeidskundig onderzoek worden verricht en, indien mogelijk, passende functies uit het CBBS worden geselecteerd om de verdiencapaciteit vast te stellen. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan.
Rechtbank Midden-Nederland, 10 september 2025, UTR 23/3938, ECLI:NL:RBMNE:2025:4854