Eiseres is op 26 september 2016 uitgevallen voor haar werk als callcentermedewerker wegens medische klachten. Na afloop van de wachttijd heeft het UWV vastgesteld dat zij met ingang van 22 januari 2019 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen, waardoor zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Bij besluit op bezwaar is deze afwijzing gehandhaafd.
Aan het besluit ligt een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 november 2018 ten grondslag, waarin beperkingen zijn opgenomen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Op basis hiervan zijn diverse functies geselecteerd, waaronder productiemedewerker, wikkelaar en administratief ondersteunend medewerker. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één functie laten vervallen, maar geconcludeerd dat eiseres met de resterende functies geen verlies aan verdienvermogen heeft: het loon van de mediaanfunctie ligt 0,00% onder het maatmaninkomen.
Eiseres voert in beroep aan dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zij stelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, onder meer omdat geen volledig lichamelijk onderzoek in bezwaar heeft plaatsgevonden en onvoldoende rekening is gehouden met haar lage rugklachten, depressieve klachten en verhoogde medicatie. Ook meent zij dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Verder acht zij de geselecteerde functies, met name die van productiemedewerker, fysiek te belastend. Tot slot verzoekt zij om benoeming van een onafhankelijke deskundige onder verwijzing naar het arrest Korošec van het EHRM.
De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De primaire verzekeringsarts heeft lichamelijk onderzoek gedaan en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, de hoorzitting bijgewoond en alle medische informatie betrokken. Dat in bezwaar geen nieuw lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen een onjuist of onvolledig beeld hadden van de medische situatie op de datum in geding.
Ten aanzien van de depressieve klachten overweegt de rechtbank dat hiermee rekening is gehouden in de FML. De verhoging van de medicatie en latere toename van klachten vonden plaats na de datum in geding en leiden daarom niet tot aanpassing van de belastbaarheid per 22 januari 2019. Ook de informatie van de neuroloog en de adviserend geneeskundige van de GGD dateert van na die datum en bevat geen objectieve medische gegevens die tot een ander oordeel nopen. De rechtbank volgt het standpunt dat geen medische indicatie bestaat voor een urenbeperking, nu niet is voldaan aan de criteria van de Standaard verminderde duurbelastbaarheid.
Met betrekking tot de geschiktheid van de functies oordeelt de rechtbank dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de signaleringen voldoende heeft gemotiveerd en in overleg met de verzekeringsarts heeft beoordeeld. De belasting in de geselecteerde, fysiek lichte functies overschrijdt de vastgestelde beperkingen niet.
De rechtbank ziet geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad medische stukken in te brengen en de rapportages zijn inzichtelijk en consistent gemotiveerd. Het enkele feit dat eiseres het niet eens is met de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onvoldoende.
Omdat het verlies aan verdienvermogen 0,00% bedraagt, heeft het UWV terecht vastgesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Rechtbank Rotterdam, 27 maart 2020, nr. ROT 19/3385, ECLI:NL:RBROT:2020:2484