De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de weigering van het UWV om haar per 12 april 2022 een WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV stelde dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In bezwaar bleef dit standpunt gehandhaafd.
Eiseres voert aan dat zij als gevolg van een covidbesmetting kampt met ernstige vermoeidheids- en cognitieve klachten en dat zij meer beperkt is dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst is aangenomen. Volgens haar had een urenbeperking moeten worden vastgesteld. Ter onderbouwing legt zij een rapport van een eigen verzekeringsarts over, waarin een maximale belastbaarheid van 30 uur per week wordt bepleit.
Omdat twijfel bestond over de medische beoordeling, benoemt de rechtbank een onafhankelijk deskundige. Deze concludeert dat sprake is van een aspecifiek klachtenbeeld met vermoeidheid als basisklacht, zonder objectief vastgestelde afwijkingen. Volgens de deskundige is voltijdse arbeid mogelijk, mits de werkzaamheden binnen de vastgestelde beperkingen blijven. Wel adviseert hij twee kleine aanpassingen in de FML, onder meer ten aanzien van overwerk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep neemt dit over.
De rechtbank volgt het oordeel van de onafhankelijk deskundige. Het rapport is zorgvuldig, consistent en inzichtelijk gemotiveerd. De deskundige heeft alle medische informatie betrokken en eiseres persoonlijk onderzocht. Dat de klachten in de covidperiode zijn ontstaan, betekent niet dat sprake is van objectiveerbare postcovidproblematiek. De rechtbank acht een urenbeperking niet medisch noodzakelijk.
Ook de geselecteerde functies – archiefmedewerker, boekhouder/kassier en productiemedewerker industrie – acht de rechtbank passend. Nu de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, heeft het UWV terecht de WIA-uitkering geweigerd.
Wel constateert de rechtbank dat het bestreden besluit pas in beroep van een toereikende medische motivering is voorzien. Dit gebrek wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Het beroep is ongegrond, maar het UWV moet het griffierecht en een deel van de proceskosten vergoeden. Het verzoek om vergoeding van deskundigenkosten wordt afgewezen, omdat de facturen zijn gericht aan de rechtsbijstandsverzekeraar, die geen partij is in de procedure.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 mei 2025, BRE 23/10560, ECLI:NL:RBZWB:2025:3135