In deze hogerberoepsprocedure staat de beoordeling van de mate en duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid van een werkneemster met long covid centraal. In een eerdere tussenuitspraak had de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het Uwv het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid. Werkneemster was niet onderzocht door een geregistreerde verzekeringsarts en in bezwaar was uitsluitend dossieronderzoek verricht. Ook was geen informatie opgevraagd bij de behandelend sector, terwijl het ziektebeeld en de betwisting van de medische conclusies daartoe aanleiding gaven.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep werkneemster alsnog op spreekuur onderzocht en informatie ingewonnen bij haar huisarts, revalidatiearts en GZ-psycholoog. In het rapport van 12 november 2024 is geconcludeerd dat de eerder opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst per 30 maart 2022 niet hoeft te worden aangepast.
De Raad oordeelt dat hiermee het eerder geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek is hersteld. Het medisch onderzoek is alsnog zorgvuldig verricht. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Werkneemster had op de datum in geding long covid met verminderde inspanningstolerantie, verhoogde prikkelgevoeligheid en psychische klachten in verband met verlieservaringen. Zij was aangewezen op fysiek lichte arbeid in een rustige omgeving met een energetisch gemotiveerde urenbeperking. Van post-exertionele malaise was geen sprake. De beperking ten aanzien van prikkelgevoeligheid is voldoende gemotiveerd en er bestaat geen aanleiding voor verdergaande beperkingen.
Ten aanzien van de duurzaamheid volgt de Raad het standpunt van het Uwv dat op 30 maart 2022 nog geen sprake was van een duurzame situatie. Werkneemster had kort daarvoor haar revalidatie afgerond, volgde nog ergotherapie, had kleine vooruitgang geboekt en stond open voor verdere behandeling. Bovendien was zij gemotiveerd om te re-integreren en was zij daar ook feitelijk mee gestart. Dit zijn positief prognostische factoren. De inschatting dat nog herstel mogelijk was, is daarom navolgbaar.
Omdat het Uwv pas in hoger beroep een deugdelijke medische onderbouwing heeft gegeven, is het bestreden besluit aanvankelijk in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb tot stand gekomen. De Raad passeert deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 Awb, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden niet zijn benadeeld en ook bij een juiste voorbereiding hetzelfde besluit zou zijn genomen. Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Wel wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Centrale Raad van Beroep, 9 juli 2025, 23/2745 WIA, ECLI:NL:CRVB:2025:1084