De rechtbank oordeelt dat het UWV ten onrechte heeft vastgesteld dat de werkneemster, die lijdt aan long-covid, wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Het geschil draait om de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is in de zin van de Wet WIA. Het UWV had aan de werkneemster per 12 augustus 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat volgens het UWV nog behandelmogelijkheden bestonden die een reële kans op herstel boden. De gemeente, als ex-werkgever, heeft hiertegen bezwaar en vervolgens beroep ingesteld, omdat zij van mening is dat sprake is van volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid en dus recht op een IVA-uitkering.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de werkneemster niet als derde-partij kan deelnemen aan het geding, omdat zij zelf geen bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen het besluit. Haar inbreng wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
Bij de inhoudelijke beoordeling past de rechtbank de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid toe. Indien sprake is van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden, wordt duurzaamheid aangenomen. Zijn er wel behandelmogelijkheden, dan moet concreet en deugdelijk worden gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid te verwachten is, met name in het eerste jaar na toekenning van de uitkering.
De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor deze werkneemster reële behandelmogelijkheden bestaan die tot verbetering van haar belastbaarheid kunnen leiden. De enkele verwijzing naar tweedelijns revalidatiebehandelingen en het noemen van behandelcentra is te algemeen. Het UWV heeft niet inzichtelijk gemaakt welke concrete behandeling voor deze werkneemster beschikbaar is en welk effect daarvan op haar functionele mogelijkheden mag worden verwacht. Dat behandelingen worden aangeboden of gevolgd, betekent nog niet dat zij effectief zijn of tot herstel leiden.
Omdat het debat in bezwaar en beroep uitsluitend zag op de duurzaamheid en het UWV al gelegenheid heeft gehad zijn standpunt te onderbouwen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en kent met ingang van 12 augustus 2024 een IVA-uitkering toe, ter hoogte van 75% van het WIA-maandloon. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Rechtbank Oost-Brabant, 5 november 2025, SHE 25/1368, ECLI:NL:RBOBR:2025:7451