De rechtbank Overijssel oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiseres per 19 december 2024 voor 37,68% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Eiseres was werkzaam als boekhoudkundig medewerker voor 24 uur per week en meldde zich op 22 december 2022 ziek. Zij ontving na afloop van haar dienstverband een Ziektewetuitkering en vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan. Bij het primaire besluit werd zij voor 62,61% arbeidsongeschikt geacht, maar in bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 37,68%.
Eiseres voerde aan dat zij vanwege long covid, ME/CVS en de ziekte van Lyme veel ernstiger beperkt is dan het UWV heeft aangenomen. Zij wees op ernstige vermoeidheid, cognitieve problemen, geheugenstoornissen, prikkelgevoeligheid, spier- en gewrichtsklachten, visuele problemen en post-exertionele malaise (PEM). Volgens haar beschikte zij over geen benutbare mogelijkheden. Daarnaast stelde zij dat de geduide functies niet passend waren vanwege haar beperkte belastbaarheid en dat het UWV ten onrechte haar opleidingsniveau had verhoogd. Ook verzocht zij de rechtbank om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
De rechtbank stelt vast dat zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres hebben onderzocht en de beschikbare medische informatie zorgvuldig hebben betrokken bij hun beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erkend dat na de datum in geding de diagnose ME/CVS bij long covid is gesteld, maar zag daarin geen aanleiding om verdergaande beperkingen aan te nemen dan reeds in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren opgenomen. Volgens de verzekeringsarts zijn al aanzienlijke beperkingen aangenomen ten aanzien van prikkelverwerking, werktempo, fysieke belasting en werktijden. Ook is een urenbeperking vastgesteld van vier uur per dag en twintig uur per week.
De rechtbank volgt deze beoordeling. Daarbij overweegt zij dat niet uitsluitend de door eiseres ervaren klachten bepalend zijn, maar dat beperkingen medisch objectiveerbaar moeten zijn. De rechtbank acht de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend. Zij ziet geen medische stukken waaruit blijkt dat op de datum in geding meer of andere beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De rechtbank merkt bovendien op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft uiteengezet waarom geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden.
Ook de verwijzing naar de diagnose van vroege Alzheimerpathologie leidt niet tot een ander oordeel. Die diagnose is pas in september 2025 gesteld en heeft daarom geen betrekking op de datum in geding, 19 december 2024. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat hiermee samenhangende beperkingen reeds op die datum aanwezig waren.
Omdat de rechtbank geen twijfel heeft aan de medische beoordeling, wijst zij ook het verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen af.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling oordeelt de rechtbank dat voldoende is gemotiveerd dat eiseres de geselecteerde functies van archiefmedewerker, administratief ondersteunend medewerker en telefonist/callcentermedewerker kan verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zowel de afzonderlijke belastingsaspecten als de totale belasting van de functies beoordeeld en afdoende toegelicht waarom deze passen binnen de vastgestelde belastbaarheid.
Verder volgt de rechtbank het standpunt van het UWV dat eiseres geacht mag worden te beschikken over opleidingsniveau 6. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres in haar curriculum vitae zelf heeft vermeld dat zij opleidingen op HAVO-, VWO- en HBO-niveau heeft gevolgd. De rechtbank ziet geen reden om de arbeidsdeskundige hierin niet te volgen.
De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiseres per 19 december 2024 voor 37,68% arbeidsongeschikt is. Het bestreden besluit blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Rechtbank Overijssel, 26 mei 2026, nr. ZWO 25/2562, ECLI:NL:RBOVE:2026:2793