De rechtbank beoordeelt het beroep van een werkgever tegen de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering aan een werkneemster wegens volledige, maar niet-duurzame arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is.
Werkneemster is uitgevallen wegens cognitieve en energetische klachten, onder meer in verband met Long Covid. Zij heeft diverse behandelingen gevolgd, waaronder een intensief revalidatietraject en therapieën bij onder meer een fysiotherapeut, logopedist en psycholoog. Deze hebben volgens de werkgever niet geleid tot herstel of toename van de belastbaarheid. De werkgever stelt dat sprake is van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en dat het UWV het beoordelingskader voor duurzaamheid niet juist heeft toegepast. Ook wordt aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest, omdat geen spreekuurcontact heeft plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval mocht volstaan met dossieronderzoek. De primaire verzekeringsarts heeft een uitgebreid spreekuuronderzoek verricht en aanvullende medische informatie is in bezwaar betrokken. Dat de beoordeling in bezwaar uitsluitend op dossieronderzoek is gebaseerd, maakt deze daarom niet onzorgvuldig.
Ten aanzien van de duurzaamheid overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 4 van de Wet WIA sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid bij een medisch stabiele of verslechterende situatie, dan wel wanneer op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat. Het UWV hanteert daarbij het Beoordelingskader voor de beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen, waarin een stappenplan is opgenomen. Hoewel het niet strikt volgen van alle stappen niet automatisch tot onzorgvuldigheid leidt, moet de motivering dan wel concreet en deugdelijk zijn toegespitst op de individuele situatie.
Volgens de rechtbank schiet de motivering van het UWV tekort. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel gewezen op mogelijke behandelingen en op het ontbreken van een duidelijk medisch substraat, maar heeft niet concreet onderbouwd welke behandeling bij werkneemster tot verbetering zou kunnen leiden, welke doelen daarmee worden nagestreefd en binnen welk tijdpad resultaat kan worden verwacht. Bij een verwachte verbetering na meer dan een jaar geldt bovendien een verzwaarde motiveringsplicht. Zonder concrete en toereikende onderbouwing is niet inzichtelijk waarom bijvoorbeeld behandeling volgens het stepped-care-principe nog tot relevante verbetering zou kunnen leiden. Ook ten aanzien van genoemde behandelmogelijkheden, zoals hyperbare zuurstoftherapie, ontbreekt een voldoende concrete onderbouwing.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Zij doet een tussenuitspraak en stelt het UWV in de gelegenheid het gebrek te herstellen door alsnog deugdelijk te motiveren waarom op de datum in geding geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid, met inachtneming van het stappenplan van het Beoordelingskader en relevante medische literatuur. Het UWV krijgt hiervoor een termijn van acht weken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2024, zaaknummer BRE 23/3639 T, ECLI:NL:RBZWB:2024:5082