De rechtbank beoordeelt het beroep van een werkgever tegen de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering aan haar ex-werkneemster, die sinds oktober 2021 uitgevallen is met post-covidklachten. Het UWV heeft vastgesteld dat zij per 11 oktober 2023 volledig (80-100%), maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een IVA-uitkering. In bezwaar is dit standpunt gehandhaafd.
Niet in geschil is dat de ex-werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. Het geschil beperkt zich tot de vraag of die arbeidsongeschiktheid duurzaam is. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben erkend dat sprake is van ernstige en langdurige klachten, waaronder vermoeidheid, spier- en hoofdpijn, cognitieve problemen en stemmingsklachten. Zij hebben echter geoordeeld dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten, omdat post-covid een relatief nieuw ziektebeeld is en er behandelmogelijkheden in ontwikkeling zijn. Daarbij is gewezen op een mogelijke klachtencontingente behandeling met pacing bij een gespecialiseerd revalidatiecentrum.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van duurzaamheid een concrete en op de individuele situatie toegesneden inschatting moet worden gemaakt van de herstelkansen. Als verbetering wordt verwacht op basis van een behandeling, moet inzichtelijk worden gemaakt wat het te verwachten effect daarvan is voor de betrokken verzekerde.
Hoewel de verzekeringsarts bezwaar en beroep het stappenplan uit het beoordelingskader heeft gevolgd, is de rechtbank van oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval binnen het eerstkomende jaar een redelijke of goede verwachting van herstel bestaat. De voorgestelde behandeling is te algemeen geformuleerd en onvoldoende toegespitst op de situatie van de ex-werkneemster, die al een intensief multidisciplinair traject zonder verbetering heeft doorlopen. Het UWV heeft niet concreet onderbouwd waarom een nieuwe, anders ingerichte behandeling wél tot verbetering zou leiden, wat de verwachte mate van herstel is, binnen welke termijn dat zou optreden en wat dit betekent voor haar functionele mogelijkheden.
Daarmee is het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig geweest en is het besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank past de bestuurlijke lus toe en stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken het motiveringsgebrek te herstellen. Iedere verdere beslissing, waaronder over proceskosten en griffierecht, wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 mei 2025, 24/4620 WIA T, ECLI:NL:RBZWB:2025:3246