De rechtbank Midden-Nederland oordeelt in deze tussenuitspraak over de vraag of eiser, die sinds maart 2022 is uitgevallen wegens een Covid-infectie en aanhoudende longcovidklachten, naast volledige ook duurzame arbeidsongeschiktheid moet worden toegekend. Eiser ontving per 28 maart 2024 een WGA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. In geschil is of zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam is, zodat hij recht heeft op een IVA-uitkering.
Niet in geschil is dat eiser volledig arbeidsongeschikt is. Eiser stelt dat zijn situatie ook duurzaam is, omdat hij reeds diverse intensieve behandeltrajecten heeft doorlopen, waaronder een multidisciplinair traject van acht maanden en een uitgebreid revalidatietraject. Deze behandelingen hebben geen verbetering van zijn belastbaarheid opgeleverd. Zijn behandelaars zien geen verdere behandelmogelijkheden. De door het Uwv genoemde optie van behandeling met een SSRI is volgens eiser geen reële mogelijkheid, omdat hij daar eerder heftig op heeft gereageerd.
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid, omdat nog behandelopties bestaan, zoals behandeling met een SSRI, cognitieve gedragstherapie en behandeling bij een gespecialiseerde longcovidpoli. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is verbetering van de belastbaarheid in het komende jaar of daarna redelijkerwijs te verwachten.
De rechtbank zet het wettelijke beoordelingskader uiteen en verwijst naar de strenge eisen uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. De verzekeringsarts moet concreet en individueel onderbouwen wat de herstelkansen zijn, zowel in het eerste jaar als daarna. Indien behandelmogelijkheden aan de prognose ten grondslag worden gelegd, moet specifiek worden gemotiveerd welk resultaat die behandeling voor deze verzekerde kan opleveren.
De rechtbank oordeelt dat het Uwv hieraan niet heeft voldaan. De verwijzing naar gespecialiseerde poli’s is onvoldoende concreet, omdat niet is onderbouwd welk resultaat dat voor eiser zou kunnen hebben. Ook ten aanzien van SSRI-gebruik en cognitieve gedragstherapie is niet inzichtelijk gemaakt of deze behandelingen voor eiser geschikt zijn, welke beperkingen zouden kunnen verbeteren en binnen welke termijn. Er is geen contact geweest met de behandelaars van eiser. Het enkel wijzen op het bestaan van behandelopties is volgens de rechtbank te algemeen en onvoldoende toegespitst op de individuele situatie.
Daarom is het besluit ondeugdelijk gemotiveerd voor wat betreft het ontbreken van duurzaamheid. De rechtbank stelt het Uwv in de gelegenheid om dit motiveringsgebrek binnen acht weken te herstellen en houdt iedere verdere beslissing aan.
Rechtbank Midden-Nederland, 16 januari 2026, UTR 24/6569-T, ECLI:NL:RBMNE:2026:187