De rechtbank beoordeelt het beroep van een werkgever tegen de beslissing van het UWV om aan een ex-werkneemster geen IVA-uitkering toe te kennen, maar een loongerelateerde WGA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Vaststaat dat de ex-werkneemster volledig arbeidsongeschikt is, maar in geschil is of deze arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is.
De ex-werkneemster heeft zich in oktober 2021 ziekgemeld met post-covidklachten, waaronder ernstige vermoeidheid, spier- en hoofdpijn, geheugenproblemen, overprikkeling en later ook stemmings- en angstklachten. Zij heeft een langdurig multidisciplinair revalidatietraject gevolgd zonder toename van haar belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft forse beperkingen aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitsluitend de duurzaamheid beoordeeld en geconcludeerd dat daarvan geen sprake is. Volgens hem is post-covid een nieuw ziektebeeld met onduidelijk beloop en bestaan er nog behandelmogelijkheden, zoals een klachtencontingente aanpak met pacing, eventueel bij gespecialiseerde centra.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van duurzaamheid een concrete en deugdelijke inschatting moet worden gemaakt van de herstelkansen, toegespitst op de individuele situatie. Daarbij moet, indien wordt gewezen op behandelmogelijkheden, inzichtelijk worden gemaakt wat het te verwachten resultaat is voor de betrokkene.
Hoewel de verzekeringsarts bezwaar en beroep het geldende stappenplan heeft gevolgd, oordeelt de rechtbank dat de motivering tekortschiet. De voorgestelde behandeling is te algemeen geformuleerd en onvoldoende toegespitst op de ex-werkneemster, die al een intensief revalidatietraject zonder resultaat heeft doorlopen. Niet is onderbouwd waarom een nieuw traject wél kans van slagen zou hebben, noch is geconcretiseerd welke verbetering van de belastbaarheid binnen welke termijn te verwachten is en hoe groot die kans is. Ook is niet onderzocht of zij een dergelijk traject kan volgen of daarvoor in aanmerking komt.
Daarmee is onvoldoende gemotiveerd dat in het eerstkomende jaar een redelijke of goede verwachting van verbetering bestaat. Het medisch onderzoek is daarom niet zorgvuldig en het besluit ontbeert een draagkrachtige motivering. Het beroep is gegrond.
De rechtbank past de bestuurlijke lus toe en stelt het UWV in de gelegenheid het motiveringsgebrek binnen acht weken te herstellen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 mei 2025, 24/4620 WIA T, ECLI:NL:RBZWB:2025:3246