De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de WIA-aanvraag van eiseres, die sinds april 2021 is uitgevallen na twee covidinfecties en langdurige post-covidklachten heeft. Het Uwv heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. In bezwaar is de Functionele Mogelijkhedenlijst aangepast, maar ook toen bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35%.
In beroep voert eiseres aan dat haar vermoeidheidsklachten en recuperatiebehoefte zijn onderschat. Volgens haar medisch adviseur is een verdergaande urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week aangewezen. Daarbij wordt gewezen op richtlijnen over langdurige covidklachten en het belang van energiemanagement. Eiseres heeft consistent verklaard dat zij regelmatig overdag moet slapen en na beperkte inspanning meerdere dagen is uitgeschakeld.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beperkingen aangenomen, waaronder een urenbeperking van 8 uur per dag en 40 uur per week. Volgens het Uwv wordt daarmee, in combinatie met beperkingen ten aanzien van fysiek en mentaal belastende arbeid, voldoende rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten. Een verdergaande urenbeperking zou niet objectiveerbaar zijn.
De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht, maar dat de motivering van de vastgestelde urenbeperking tekortschiet. Vaststaat dat eiseres post-covidklachten heeft en dat de noodzaak tot recuperatie niet wordt betwist. Gelet op de beperkte medische kennis over post-covid en het consistente dag- en weekverhaal van eiseres, had het Uwv inzichtelijk moeten maken waarom een belastbaarheid van 8 uur per dag en 40 uur per week passend is. Die onderbouwing ontbreekt. Niet valt in te zien hoe met deze – lichte – urenbeperking daadwerkelijk in een aanvullende recuperatiebehoefte wordt voorzien.
Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond, het besluit wordt vernietigd en het Uwv moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen. Ook moet het Uwv het griffierecht en de proceskosten vergoeden.
Rechtbank Noord-Holland, 15 juli 2025, HAA 24/776, ECLI:NL:RBNHO:2025:7923