De rechtbank Overijssel beoordeelt in deze tussenuitspraak het geschil tussen Stichting Buurtzorg Nederland als eigenrisicodrager en het UWV over de vraag of een (ex-)werkneemster met post-covidklachten per 1 augustus 2023 recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een loongerelateerde WGA-uitkering. Vaststaat dat de werkneemster volledig arbeidsongeschikt is; in geschil is uitsluitend of deze arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.
De werkneemster, werkzaam als wijkverpleegkundige, heeft zich op 2 januari 2021 ziekgemeld en meerdere multidisciplinaire behandeltrajecten doorlopen. Het UWV heeft haar per 1 augustus 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens het UWV niet duurzaam is. In bezwaar is dit standpunt gehandhaafd. Volgens de verzekeringsartsen is er bij post-covid nog veel onduidelijkheid over het ziektebeeld en de prognose, en lopen er onderzoeken naar mogelijke behandelingen. Omdat verbetering niet kan worden uitgesloten, is geen sprake van duurzaamheid.
De werkgever stelt daartegenover dat de beperkingen wel duurzaam zijn. De werkneemster heeft reeds adequate behandelingen ondergaan zonder wezenlijk herstel, en het UWV heeft niet concreet gemaakt welke verdere behandelingen tot verbetering van de functionele mogelijkheden zouden kunnen leiden. Volgens de overgelegde rapportages van een medisch adviseur en een juridisch arbeidsdeskundige is de motivering van het UWV te algemeen en niet toegespitst op de individuele situatie.
De rechtbank zet het wettelijke beoordelingskader uiteen en verwijst naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waaruit volgt dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke inschatting moet maken van de herstelkansen, gebaseerd op de individuele medische situatie op de datum in geding. Indien de verwachting van herstel wordt gebaseerd op een behandeling, moet inzichtelijk worden gemaakt wat het mogelijke resultaat daarvan is voor de betrokkene.
Naar het oordeel van de rechtbank schiet de motivering van het UWV tekort. Allereerst is onduidelijk of en hoe het interne beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” is toegepast. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in algemene zin gewezen op de onzekerheid rond post-covid, maar niet concreet onderbouwd waarom in het geval van deze werkneemster verbetering van de belastbaarheid te verwachten is. Er is geen specifieke behandeling genoemd die tot vergroting van de arbeidsmogelijkheden kan leiden, terwijl vaststaat dat reeds adequate trajecten zijn gevolgd. Een algemene verwijzing naar lopend onderzoek en onzekerheid over de prognose is onvoldoende om te concluderen dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd is met de motiveringsplicht van artikel 7:12 Awb. Zij ziet echter nog geen aanleiding om zelf te bepalen dat recht bestaat op een IVA-uitkering. Daarom wordt een tussenuitspraak gedaan op grond van artikel 8:51a Awb. Het UWV krijgt de gelegenheid om binnen acht weken het motiveringsgebrek te herstellen, hetzij met een aanvullende motivering, hetzij met een nieuwe beslissing op bezwaar. Iedere verdere beslissing, waaronder over proceskosten en griffierecht, wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Rechtbank Overijssel, 22 november 2024, zaaknummer ZWO 24/2470 T, ECLI:NL:RBOVE:2024:6188