De rechtbank Rotterdam beoordeelt in deze einduitspraak een geschil over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres in het kader van de WIA. Het betreft een vervolg op een eerdere tussenuitspraak, waarin de rechtbank had geoordeeld dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom voor eiseres, die lijdt aan Post-Covid-klachten, een urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week passend werd geacht.
Naar aanleiding van die tussenuitspraak kreeg het UWV de gelegenheid het geconstateerde gebrek te herstellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bracht daarop meerdere aanvullende rapportages uit. Het UWV bleef echter bij het standpunt dat geen aanleiding bestond om een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep was geen sprake van een gecompliceerde Covid-infectie met objectiveerbare afwijkingen aan bijvoorbeeld hart of longen en bestond er een aspecifiek klachtenbeeld. Ook werd de door de bedrijfsarts aangenomen zeer beperkte belastbaarheid niet gevolgd.
Eiseres stelde daartegenover dat haar Post-Covid-klachten wel degelijk ernstig en medisch onderbouwd waren. Zij wees onder meer op haar voortdurende vermoeidheid, de noodzaak tot herstelmomenten, post-exertionele malaise (PEM), haar beperkte dagelijkse activiteiten en de langdurige re-integratie-inspanningen onder begeleiding van de bedrijfsarts. Volgens haar vormden het dagverhaal, de medische gegevens en het verloop van de re-integratie een consistent en objectiveerbaar geheel.
De rechtbank oordeelt dat het UWV er ondanks de herstelmogelijkheid niet in is geslaagd de eerder geconstateerde motiveringsgebreken weg te nemen. De aanvullende rapportages maken volgens de rechtbank onvoldoende inzichtelijk waarom eiseres op de datum in geding, 1 december 2022, belastbaar zou zijn voor 6 uur per dag en 30 uur per week. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de noodzaak van recuperatie als gevolg van Post-Covid door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet wordt betwist. Juist daarom valt volgens de rechtbank niet in te zien waarom een relatief lichte urenbeperking voldoende zou zijn om overbelasting te voorkomen.
De rechtbank verwerpt tevens de nadruk die het UWV legt op het onderscheid tussen een gecompliceerde Covid-infectie met objectiveerbare orgaanschade en een Post-Covid-syndroom zonder dergelijke afwijkingen. Dat onderscheid biedt volgens de rechtbank geen afdoende verklaring voor de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank merkt daarbij op dat een postcovidsyndroom zonder objectiveerbare afwijkingen niet zonder meer als minder ernstig kan worden beschouwd.
Verder acht de rechtbank van belang dat eiseres haar klachten en beperkingen gedurende de procedure uitvoerig en consistent heeft beschreven. Het dagverhaal, de medische behandelingen, de re-integratiepogingen en de bevindingen van de bedrijfsarts wijzen volgens de rechtbank op een aanzienlijk beperktere belastbaarheid dan het UWV heeft aangenomen.
Met het oog op een definitieve en doelmatige beslechting van het geschil neemt de rechtbank zelf als uitgangspunt dat voor eiseres op de datum in geding een urenbeperking van maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week moet gelden. Daarmee staat vast dat het UWV de belastbaarheid van eiseres onjuist heeft vastgesteld en dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust.
Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen waarbij wordt uitgegaan van een urenbeperking van maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week. Daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht van € 51 vergoeden en wordt het veroordeeld tot betaling van € 2.335 aan proceskosten.
Rechtbank Rotterdam, 10 april 2026, nr. ROT 24/4716, ECLI:NL:RBROT:2026:5282