De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Eiser, voorheen werkzaam als manager ERP voor 40 uur per week, heeft zich op 11 januari 2022 ziekgemeld wegens gezondheidsklachten na meerdere Covid-infecties. Na een eerdere afwijzing heeft het UWV in bezwaar alsnog per 9 januari 2024 een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 71,42%. Eiser acht dit percentage te laag, omdat volgens hem een zwaardere urenbeperking moet worden aangenomen.
In geschil is uitsluitend de omvang van de urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML een beperking vastgesteld van gemiddeld 6 uur per dag en 30 uur per week, mede vanwege langdurige covid-19, somatisatiestoornis, mogelijk CVS en depressieve klachten. Eiser stelt, onder verwijzing naar een expertise van het Expertise Instituut en een aanvullende rapportage, dat hij vanwege ernstige energetische klachten slechts 4 uur per dag en 20 uur per week belastbaar is.
De rechtbank stelt voorop dat bij post-covidklachten nog weinig bekend is over oorzaak en behandeling, zodat extra gewicht toekomt aan een zorgvuldige beoordeling van de consistentie en plausibiliteit van het klachtenbeeld. Eiser heeft zijn vermoeidheidsklachten, concentratieproblemen en toegenomen slaapbehoefte consistent en concreet toegelicht. Het in de expertise beschreven dagverhaal acht de rechtbank plausibel.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de ruimere urenbeperking uit de expertise te zwaar zou zijn. Argumenten dat geen prangende behandelbehoefte bestaat en dat tijdens onderzoek geen lijdensdruk werd waargenomen, overtuigen niet. Eiser heeft toegelicht dat wel degelijk behandeling is gezocht, maar zonder passend resultaat. Ook is het gedrag tijdens een spreekuur niet zonder meer representatief voor het functioneren gedurende een volledige dag of week.
De rechtbank volgt daarom de conclusie van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts dat een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week aangewezen is. Daarmee berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, uitgaande van de ruimere urenbeperking. Een onafhankelijke deskundige acht de rechtbank niet nodig.
Het UWV moet het griffierecht vergoeden en wordt veroordeeld tot betaling van € 5.338,28 aan proceskosten, waaronder de kosten van de ingeschakelde expertise.
Rechtbank Midden-Nederland, 9 juli 2025, UTR 24/7021, ECLI:NL:RBMNE:2025:3547