De Centrale Raad van Beroep oordeelt in deze tussenuitspraak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 17 maart 2022 terecht heeft vastgesteld op 37,34% en haar een loongerelateerde WGA-uitkering heeft toegekend. Appellante, voorheen werkzaam als activiteitenbegeleider voor 18 uur per week, is in maart 2020 uitgevallen na een COVID-19-infectie en houdt langdurige klachten passend bij long-COVID.
Het geschil spitst zich toe op de medische beoordeling, in het bijzonder de vastgestelde urenbeperking en het ontbreken van beperkingen ten aanzien van prikkelgevoeligheid. Appellante stelt dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij als gevolg van onder meer post-exertionele malaise (PEM) en ernstige energetische beperkingen niet in staat is vijf uur per dag en 25 uur per week te werken. Ter onderbouwing heeft zij een expertiserapport overgelegd van verzekeringsarts Balk van 20 november 2023, waarin aanzienlijk verdergaande beperkingen worden aangenomen, waaronder een urenbeperking tot twee à drie uur per dag en tien à twaalf uur per week, alsmede beperkingen ten aanzien van prikkels, geluidsbelasting, complexe taken en fysieke inspanning.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de medische beoordeling van het Uwv gevolgd. De Raad komt echter tot een ander oordeel. Hij acht het onderzoek van Balk zorgvuldig en zijn rapport inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd. Balk heeft dossieronderzoek verricht, appellante onderzocht en de beschikbare medische informatie van behandelaars betrokken. Zijn conclusies sluiten aan bij informatie van de revalidatiearts, ergotherapeut, bedrijfsarts en GZ-psycholoog, waaruit blijkt dat appellante structureel aangewezen is op een strikt activiteiten- en rustschema en dat verhoging van belasting leidt tot terugval.
De Raad volgt Balk in diens oordeel dat sprake is van objectiveerbare beperkingen voortvloeiend uit een doorgemaakte COVID-infectie en dat met name de energetische beperkingen en noodzakelijke recuperatiemomenten zwaarder wegen dan het Uwv heeft aangenomen. Ook acht de Raad aanvullende beperkingen op het gebied van prikkelverwerking, aandacht, geluidsbelasting en fysieke inspanning aangewezen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende overtuigend gereageerd op het expertiserapport en heeft de energetische beperkingen en gestelde PEM niet afdoende weerlegd.
De Raad concludeert dat de Functionele Mogelijkhedenlijst van 1 juni 2022 onjuist is en dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb wegens een ondeugdelijke motivering van de medische grondslag. Met toepassing van artikel 8:51d Awb krijgt het Uwv de opdracht het gebrek binnen zes weken te herstellen door de FML aan te passen conform de bevindingen van Balk en vervolgens een nieuwe arbeidskundige beoordeling uit te voeren.
De Raad doet daarmee een tussenuitspraak en houdt de verdere beslissing aan.
Centrale Raad van Beroep, 24 september 2025, 24/1751 WIA, ECLI:NL:CRVB:2025:1437