De rechtbank beoordeelt in deze tussenuitspraak of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 17 januari 2024 juist heeft vastgesteld in het kader van zijn WIA-aanvraag. Eiser, voormalig supervisor voor 40 uur per week, meldde zich op 19 januari 2022 ziek met klachten na een covidinfectie. Zijn oorspronkelijke aanvraag werd afgewezen, maar na bezwaar en een heroverweging kende het UWV hem alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering toe, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 73,76%. Eiser acht zich echter volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en meent recht te hebben op een IVA-uitkering.
Het beroep tegen het eerdere besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit is vervangen door een nieuw besluit. De rechtbank richt zich daarom op het gewijzigde besluit waarin het UWV erkent dat eiser niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel voor drie geselecteerde voorbeeldfuncties.
De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsartsen hebben eiser onderzocht en hun bevindingen vastgelegd in rapporten. Voor zover eiser aanvullende klachten aanvoert, zoals allergie, zichtproblemen en depressieve klachten, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de beoordeling van het UWV, mede omdat geen nadere medische stukken zijn overgelegd.
De kern van het geschil betreft de beperkingen als gevolg van long covid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 14 augustus 2025 erkend dat eiser covid heeft doorgemaakt en dat sprake is van een consistent patroon van vermoeidheidsklachten. Op basis daarvan is een urenbeperking aangenomen van vier uur per dag en twintig uur per week. De rechtbank acht deze motivering echter onvoldoende. In eerdere rapportages werd nauwelijks aandacht besteed aan long covid, terwijl in het latere rapport zonder uitgebreide toelichting enkel een urenbeperking wordt toegevoegd. Een nadere onderbouwing waarom geen aanvullende fysieke of cognitieve beperkingen zijn aangenomen ontbreekt.
Daarnaast acht de rechtbank onvoldoende inzichtelijk hoe de specifieke urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week is vastgesteld. Uit het dossier blijkt dat eiser ernstig beperkt is in zijn dagelijks functioneren, meerdere rustmomenten nodig heeft en dat eerdere, zeer beperkte werkhervatting is mislukt. Ook de bedrijfsarts had een verdergaande urenbeperking aangenomen. Zonder nadere toelichting kan de rechtbank niet volgen hoe het UWV tot de huidige beperking is gekomen.
De arbeidskundige onderbouwing van de geselecteerde functies acht de rechtbank op zichzelf voldoende, uitgaande van de huidige Functionele Mogelijkhedenlijst. Indien de medische grondslag wordt aangepast, zal het UWV opnieuw moeten beoordelen of de functies passend zijn. Mocht dat leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, dan zal tevens moeten worden beoordeeld of sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid in het kader van een IVA-uitkering.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en draagt het UWV op het gebrek binnen acht weken te herstellen. Het UWV moet binnen twee weken laten weten of het van die gelegenheid gebruik maakt. Verdere beslissingen worden aangehouden tot de einduitspraak.
Rechtbank Oost-Brabant, 29 januari 2026, zaaknummer 25/191T, ECLI:NL:RBOBR:2026:515