De Centrale Raad van Beroep beoordeelt of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante per 13 juni 2018 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante stelt dat zij lijdt aan ME/CVS en dat haar beperkingen, waaronder ernstige vermoeidheid en cognitieve klachten, zijn onderschat.
In hoger beroep heeft appellante medische informatie overgelegd van cardiologen Visser en Van Campen van Cardiozorg. Omdat tussen deze artsen en het Uwv verschil van inzicht bestond over de diagnose en de waarde van gebruikte onderzoeksmethoden, heeft de Raad emeritus hoogleraar interne geneeskunde Van der Meer als onafhankelijk deskundige benoemd.
De deskundige heeft in twee rapporten uitvoerig gemotiveerd dat de door Cardiozorg gebruikte onderzoeksmethoden, zoals de tweedaagse inspanningstest, de kanteltafeltest, de N-Back Test en vragenlijsten als de CIS en SF36, wetenschappelijk onderbouwd en internationaal erkend zijn. Volgens hem kunnen deze methoden helpen bij het objectiveren van klachten als postexertionele malaise (PEM) en orthostatische intolerantie (OI/POTS), en bij het vaststellen van cognitieve beperkingen.
Ten aanzien van appellante concludeert de deskundige dat op 13 juni 2018 al sprake was van een ernstige vorm van ME/CVS met substantiële beperkingen. Hij wijst op zeer hoge vermoeidheidsscores, beperkte inspanningscapaciteit, objectief vastgestelde POTS met verminderde cerebrale doorbloeding en consistente klachten in de tijd. Volgens hem is in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 25 juli 2018 onvoldoende rekening gehouden met deze beperkingen, met name wat betreft de urenbeperking. Appellante was volgens de deskundige niet in staat om gemiddeld dertig uur per week te werken.
De Raad volgt het oordeel van zijn onafhankelijk deskundige. Het rapport is zorgvuldig tot stand gekomen en overtuigend gemotiveerd. Het Uwv heeft zijn betwisting onvoldoende onderbouwd met wetenschappelijke gegevens. Daarmee berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en is het in strijd met artikel 7:12 van de Awb.
De Raad doet nog geen definitieve uitspraak over het recht op een WIA-uitkering, maar draagt het Uwv in een tussenuitspraak op om binnen acht weken het motiveringsgebrek te herstellen. Het Uwv moet de FML aanpassen in lijn met de bevindingen van de deskundige, waaronder het aannemen van een zwaardere urenbeperking, en vervolgens opnieuw beoordelen wat dit betekent voor de mate van arbeidsongeschiktheid.
Centrale Raad van Beroep, 17 juli 2025, nr. 19/2748 WIA-T, ECLI:NL:CRVB:2025:990