De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid op 56,76% per 12 juni 2023. Eiseres, voormalig docent voor 22 uur per week, meldde zich in juni 2021 ziek na een Covid-19-besmetting en ontwikkelde langdurige klachten passend bij post covid syndroom (PCS), waaronder ernstige vermoeidheid en post exertional malaise (PEM). Het Uwv kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe en handhaafde in bezwaar een mate van arbeidsongeschiktheid van 56,76%.
Eiseres stelde dat haar beperkingen, met name ten aanzien van duurbelasting en werktijden, zijn onderschat. Zij achtte zich niet in staat 20 uur per week te werken en betoogde dat onvoldoende rekening is gehouden met haar recuperatiebehoefte. De rechtbank benoemde een onafhankelijk verzekeringsarts als deskundige.
De deskundige concludeerde dat sprake is van PCS met klachten passend bij PEM. De in de FML opgenomen beperkingen in de rubrieken 1 tot en met 5 achtte zij grotendeels passend, maar op het punt van duurbelasting en werktijden achtte zij eiseres verdergaand beperkt. Volgens de deskundige kan eiseres maximaal drie keer per dag één uur werken, met tussenliggende rustpauzes van ten minste een half uur. Werken in de avond of in onregelmatige diensten is niet mogelijk vanwege een oplopend energietekort gedurende de dag en verstoring van het evenwicht in belastbaarheid.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep betwistte de conclusies van de deskundige, onder meer omdat het onderzoek ruim anderhalf jaar na de datum in geding plaatsvond en omdat de Standaard Duurbelasting in arbeid niet juist zou zijn toegepast. De rechtbank volgt deze kritiek niet. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd dat haar conclusies betrekking hebben op de datum in geding en dat eventuele latere terugvallen het belastbaarheidsniveau niet wezenlijk hebben gewijzigd. Ook is voldoende gemotiveerd waarom in dit specifieke geval een verdergaande urenbeperking gerechtvaardigd is, ondanks de systematiek van het CBBS.
De rechtbank volgt het uitgangspunt dat zij het oordeel van een door haar benoemde onafhankelijke deskundige volgt, tenzij zwaarwegende bezwaren bestaan. Die zijn hier niet aanwezig. Daarmee staat vast dat de medische grondslag van het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd. Het besluit is in strijd met artikel 7:12 Awb. Omdat de FML moet worden aangepast, kan ook de arbeidskundige beoordeling nog niet worden getoetst.
De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt het Uwv op grond van artikel 8:51a Awb in de gelegenheid het gebrek te herstellen door de aanvullende beperkingen in een nieuwe FML op te nemen en vervolgens een nieuw arbeidskundig onderzoek te verrichten. Het Uwv moet binnen twee weken laten weten of het van deze mogelijkheid gebruikmaakt en krijgt zes weken voor herstel.
Rechtbank Midden-Nederland, 3 juli 2025, UTR 23/6469T, ECLI:NL:RBMNE:2025:3463