De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellante per 21 maart 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Wel is het bestreden besluit pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Dit gebrek wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb.
Appellante werkte voor haar uitval als verkoopmedewerker boetiek voor gemiddeld 14,23 uur per week en meldde zich op 23 maart 2020 ziek met fysieke klachten. Na afloop van de wachttijd stelde het Uwv een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op en selecteerde passende functies. Op basis daarvan werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
In bezwaar werd de FML aangepast, maar bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat onvoldoende medische onderbouwing bestond voor verdergaande beperkingen, waaronder cognitieve beperkingen, een verdergaande urenbeperking of post-exertionele malaise (PEM).
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar postCOVID-klachten, waaronder ernstige vermoeidheid, concentratieproblemen, overprikkeling en lichamelijke klachten zoals meralgia paresthetica en krachtsverlies, waren onderschat. Zij achtte zich niet in staat om twintig uur per week te werken.
De Raad benoemde een onafhankelijk verzekeringsarts als deskundige. Deze concludeerde dat sprake was van meralgia paresthetica, diffuse sensibele klachten en een functionele loopstoornis zonder objectiveerbaar krachtsverlies, alsmede een status na COVID-19 met mogelijkheid van een postCOVID-syndroom. De deskundige achtte aanvullende beperkingen aangewezen voor dragen, lopen, staan en houdingsafwisseling, maar onderschreef een urenbeperking van gemiddeld vier uur per dag en twintig uur per week. Volgens de deskundige waren er op de datum in geding geen objectieve aanwijzingen voor ernstige cognitieve beperkingen of PEM en bood de urenbeperking reeds ruime recuperatietijd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep nam de aanvullende beperkingen over in een nieuwe FML van 11 juli 2025. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep selecteerde vervolgens opnieuw passende functies, waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef.
De Raad volgt het oordeel van de deskundige, nu het rapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent is gemotiveerd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat appellante op 21 maart 2022 verdergaand beperkt was dan in de aangepaste FML is vastgelegd. Ook de geselecteerde functies zijn passend.
Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep toereikend is gemotiveerd, wordt het motiveringsgebrek gepasseerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Wel wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Centrale Raad van Beroep, 11 februari 2026, 24/1298 WIA, ECLI:NL:CRVB:2026:149