De rechtbank beoordeelt het beroep van een werkgever tegen het besluit van het Uwv om aan een werknemer per einde wachttijd een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen wegens volledige (80-100%) maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid als gevolg van Post Covid Syndroom. De werkgever meent dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid en dat de werknemer daarom recht heeft op een IVA-uitkering.
De werknemer, sinds 1991 werkzaam als zorgkundige, meldde zich in oktober 2020 ziek na een covid-infectie. Zij volgde een poliklinisch revalidatietraject met fysiotherapie, ergotherapie en psychologische begeleiding. De fysieke therapieën werden voortijdig beëindigd. De revalidatiearts verwachtte in november 2021 nog verbetering van de belastbaarheid, mede omdat bij aanvullend onderzoek geen afwijkingen waren gevonden. Geadviseerd werd om de belastbaarheid geleidelijk op te bouwen.
Het Uwv stelde zich op het standpunt dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is, maar dat er een redelijke of goede verwachting bestaat dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het ziektebeeld Post Covid nog onvoldoende uitgekristalliseerd, maar is het een empirisch gegeven dat bij de meeste patiënten na een covid-infectie (min of meer) volledig herstel optreedt. Ook bij postvirale aandoeningen in het algemeen wordt vaak herstel gezien. In dit geval zijn geen medische aanknopingspunten gevonden die wijzen op een uitzonderlijke, blijvend slechte prognose.
De werkgever voerde aan dat de werknemer al een multidisciplinair revalidatietraject had doorlopen zonder herstel en dat geen sprake meer was van een meer dan geringe kans op verbetering. Volgens de ingeschakelde medisch adviseur ontbrak een concreet behandelperspectief dat tot relevante verbetering zou kunnen leiden.
De rechtbank stelt voorop dat volgens de Wet WIA slechts sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid indien verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of slechts een geringe kans op herstel bestaat. Het door het Uwv gehanteerde beoordelingskader verlangt een inschatting van de herstelkansen op basis van de medische situatie op het toetsmoment.
De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, gereageerd op de ingebrachte medische rapporten en inzichtelijk gemotiveerd waarom nog sprake is van een redelijke of goede verwachting van verbetering. Daarbij is van belang dat de werknemer niet in het ziekenhuis of op de IC is opgenomen geweest en dat nieuwe medische inzichten wijzen op een klachtencontingente opbouw van activiteiten in combinatie met pacing, in plaats van de eerder gevolgde tijdcontingente benadering. Niet is uitgesloten dat deze aangepaste behandelmethode tot verbetering van de belastbaarheid kan leiden. Er zijn geen medische argumenten dat deze behandeling bij de werknemer een minder dan geringe kans van slagen heeft.
Omdat op het toetsmoment nog een reëel perspectief op verbetering bestond, is geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA. Het Uwv heeft daarom terecht een WGA-uitkering toegekend en geen IVA-uitkering. Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard.
Rechtbank Noord-Nederland, 10 augustus 2023, zaaknummer LEE 23/857, ECLI:NL:RBNNE:2023:3463