De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV waarbij haar per 13 mei 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,37%. Eiseres, werkzaam als leerkracht voor 15,63 uur per week, meldde zich op 16 mei 2022 ziek wegens gezondheidsklachten na een Covid-19-infectie. Zij stelt dat haar beperkingen door long covid, waaronder post-exertionele malaise en energetische klachten, zijn onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen.
Na afloop van de wachttijd heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidsdeskundige concludeerde dat eiseres niet geschikt is voor haar eigen werk, maar wel voor andere functies. Het verlies aan verdienvermogen werd berekend op 41,37%.
In bezwaar is de Functionele Mogelijkhedenlijst aangevuld met beperkingen ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico, beroepsmatig chauffeuren en nachtwerk. Dit leidde niet tot een wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage.
De rechtbank oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht. De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek gedaan, eiseres gehoord en alle beschikbare medische informatie, waaronder brieven van huisarts, longarts en bedrijfsarts, betrokken. Dat eiseres haar klachten anders beleeft, maakt niet dat objectief medisch meer beperkingen moeten worden aangenomen. De rechtbank benadrukt dat binnen de Wet WIA bepalend is welke beperkingen objectief medisch vaststelbaar zijn.
Ten aanzien van de energetische klachten en het door eiseres gehanteerde pacing-principe is overwogen dat reeds passende beperkingen zijn opgenomen. Er zijn geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie of cognitieve stoornissen. Eiseres is aangewezen op licht fysiek belastend, overwegend zittend werk. De longarts rapporteerde bovendien een normale longfunctie.
Wat betreft de gevraagde urenbeperking verwijst de rechtbank naar de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Volgens de bedrijfsarts bezwaar en beroep is geen sprake van een stoornis in de energiehuishouding in de zin van deze standaard. Uit het dagverhaal bleek geen structureel verhoogde slaap- of herstelbehoefte en het dagritme was intact. De rechtbank acht deze motivering inzichtelijk en overtuigend.
Ook de tijdelijke vrijstelling van re-integratieverplichtingen door het UWV Werkbedrijf leidt niet tot een ander oordeel, omdat daarbij een breder toetsingskader geldt dan bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank concludeert dat de vastgestelde beperkingen juist zijn en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het verlies aan verdienvermogen is terecht vastgesteld op 41,37%. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Rechtbank Rotterdam, 30 januari 2026, 25/3259, ECLI:NL:RBROT:2026:692