De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn Ziektewetuitkering per 6 januari 2023. Eiser werkte als CNC-frezer en viel uit na een coronabesmetting in 2020. Hij kampte sindsdien met ernstige vermoeidheidsklachten, concentratieproblemen en prikkelverwerkingsklachten. Na beëindiging van zijn dienstverband ontving hij ziekengeld. Bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling stelde het UWV vast dat eiser weliswaar zijn eigen werk niet meer kon doen, maar geschikt was voor andere, niet-fysiek zware functies zonder urenbeperking. Omdat hij daarmee meer dan 65% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen, werd het ziekengeld beëindigd.
Eiser betoogt dat hij door post-covidklachten energetisch ernstig beperkt is en hooguit enkele uren per week belastbaar is. Hij acht de Functionele Mogelijkhedenlijst onjuist en stelt dat een urenbeperking noodzakelijk is.
De rechtbank schakelt een onafhankelijke revalidatiearts in. Deze deskundige beschrijft een consistent beeld van ernstige vermoeidheid en klachten passend bij post-covid, zonder objectiveerbare lichamelijke afwijkingen. In zijn beschouwing concludeert de deskundige dat eiser op de datum in geding niet in staat was de werkzaamheden te verrichten, zeker niet gedurende 40 uur per week. In de beantwoording van de formele vraagstelling stemt hij echter in met de FML van het UWV, omdat objectieve afwijkingen ontbreken.
De rechtbank volgt de deskundige in diens observaties en inhoudelijke conclusies, maar niet in diens formele beantwoording. Zij overweegt dat volgens vaste rechtspraak ook zonder duidelijke medische verklaring arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen als deskundigen op consistente en overtuigende wijze het onvermogen tot werken aannemelijk achten. In dit geval erkennen behandelaars en deskundige het reële en samenhangende klachtenpatroon. Doorslaggevend is dat de deskundige expliciet stelt dat eiser op 6 januari 2023 niet in staat was de geselecteerde functies, en zeker niet fulltime, te verrichten.
Het UWV heeft daarom de belastbaarheid onjuist vastgesteld en onvoldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking nodig zou zijn. Het bestreden besluit is in strijd met de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht. Het beroep is gegrond, het besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen met herbeoordeling van de urenbeperking. Tevens worden proceskosten en griffierecht vergoed.
Rechtbank Overijssel, 15 mei 2025, zaaknummer ZWO 23/1691, ECLI:NL:RBOVE:2025:3024