Op basis van een uitgebreide evaluatie van de wetenschappelijke literatuur adviseert de commissie van de Gezondheidsraad een duidelijke verschuiving naar een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon. In vergelijking met het huidige Nederlandse eetpatroon betekent dit vooral dat de consumptie van rood vlees, zoals rund- en varkensvlees, en van bewerkt vlees, zoals vleeswaren, moet dalen. Tegelijkertijd wordt een hogere consumptie van plantaardige eiwitbronnen, met name peulvruchten – zoals bruine bonen, sojabonen, linzen en kikkererwten – en van ongezouten noten, waaronder pinda’s, aanbevolen. Deze verschuiving is gunstig voor de volksgezondheid, omdat zij samenhangt met een lager risico op chronische ziekten.
De commissie raadt aan om bij het vervangen van rood en bewerkt vlees te variëren tussen verschillende productgroepen. Voor zowel de gezondheid als het milieu is het belangrijk om daarbij vooral te kiezen voor plantaardige producten, zoals peulvruchten, volkorengranen en noten. Eieren en onbewerkt wit vlees kunnen in beperkte mate als alternatief dienen, maar hebben niet de voorkeur boven plantaardige eiwitbronnen.
De geadviseerde verschuiving naar een meer plantaardig voedingspatroon betekent een aanzienlijke verandering ten opzichte van de huidige situatie in Nederland. De commissie benadrukt echter dat iedere – ook kleine – stap in de richting van de richtlijnen bijdraagt aan een betere gezondheid en een lagere milieu-impact.
Net als bij eerdere richtlijnen zijn de Richtlijnen Goede Voeding primair bedoeld om via gezonde voeding chronische ziekten te helpen voorkomen, zoals hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en verschillende vormen van kanker. Primaire preventie is van groot belang voor de volksgezondheid, omdat op dit moment ongeveer de helft van de Nederlandse bevolking minimaal één chronische ziekte heeft. De rol van de Gezondheidsraad is daarbij om te adviseren op basis van de stand van de wetenschap.
Dierenwelzijn is in de evaluatie van de richtlijnen niet meegenomen. De commissie onderschrijft wel het belang van dierenwelzijn en verwijst voor aanvullende informatie over voedselkeuzes, zoals het gebruik van topkeurmerken (bijvoorbeeld het Beter Leven-keurmerk), naar het Voedingscentrum.
Peulvruchten nemen binnen het geadviseerde voedingspatroon een belangrijke plaats in. Zij leveren verschillende voedingsstoffen, waaronder eiwit, voedingsvezel, ijzer en vitamine B1. De commissie adviseert om wekelijks 250 gram bereide peulvruchten te eten. Deze hoeveelheid is afgeleid van onderzoek waarin gunstige effecten op het risico op chronische ziekten worden gezien bij een consumptie van 250 tot 300 gram per week. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat een hogere inname extra gezondheidswinst oplevert. Tegelijkertijd lijkt er, zowel vanuit gezondheidsperspectief – inclusief voedselveiligheidsrisico’s – als vanuit milieu-oogpunt, geen bezwaar te bestaan tegen het eten van meer dan 250 gram peulvruchten per week, mits voldoende wordt gevarieerd tussen verschillende soorten.
Daarnaast adviseert de commissie om dagelijks 15 tot 30 gram ongezouten noten te eten. Met deze hoeveelheid worden in onderzoek gunstige effecten gevonden op het risico op chronische ziekten. Noten leveren onder meer eiwitten, voedingsvezel, vetzuren – waarvan een groot deel onverzadigd is – en diverse vitamines en mineralen, zoals vitamine E en ijzer.
Voor zuivelproducten adviseert de commissie om enkele porties per dag te gebruiken en daarin te variëren tussen verschillende soorten. Onderzoek laat namelijk verbanden zien tussen zowel de totale consumptie van zuivel als specifieke zuiveltypen, zoals melk, yoghurt en kaas, en een lager risico op chronische ziekten. De richtlijn is niet verder gekwantificeerd, omdat bewijs voor een causale relatie ontbreekt en omdat er onzekerheden bestaan over de vertaling naar portiegroottes. Aannames over porties verschillen namelijk tussen onderzoeken en vooral tussen verschillende soorten zuivel. De commissie beveelt aan om niet meer zuivel te consumeren dan nodig is om het risico op chronische ziekten te beperken.
Voor vis geldt het advies om 100 gram duurzame vis per week te eten, bij voorkeur een vette vissoort. Vette vis is een belangrijke bron van de meervoudig onverzadigde vetzuren eicosapentaeenzuur (EPA) en docosahexaeenzuur (DHA). Deze vetzuren kunnen volledig veganistisch worden verkregen via supplementen.
Voor vlees zijn de aanbevelingen duidelijk restrictief. De commissie adviseert om niet meer dan 200 gram rood vlees per week te eten en om bewerkt vlees – zowel rood als wit – zo veel mogelijk te beperken. In feite komt het advies neer op het bij voorkeur helemaal vermijden van rood vlees, omdat uit onderzoek blijkt dat rood vlees al bij een consumptie van 25 gram per dag negatieve gezondheidseffecten kan hebben. Voor bewerkt rood vlees worden dergelijke negatieve effecten zelfs al gezien vanaf 21 gram per dag.
De commissie acht het overtuigend aangetoond dat een hogere consumptie van zowel rood als bewerkt vlees het risico op coronaire hartziekten en beroerte verhoogt. Daarnaast verhoogt het eten van rood en/of bewerkt vlees in plaats van plantaardige eiwitbronnen het risico op hart- en vaatziekten. De grootste gezondheids- en milieuwinst wordt echter geboekt door vlees – inclusief wit vlees – te vervangen door plantaardige eiwitbronnen, zoals peulvruchten, noten en volkorengranen. Ter vervanging van rood en bewerkt vlees adviseert de commissie daarom zo veel mogelijk te kiezen voor een combinatie van plantaardige eiwitbronnen. Dit heeft als bijkomend voordeel dat de inname van voedingsvezel kan toenemen en dat de inname van verzadigde vetzuren en zout mogelijk afneemt. Plantaardige alternatieven kunnen zowel tijdens de hoofdmaaltijd als in de vorm van broodbeleg worden gebruikt, bijvoorbeeld pindakaas en hummus.
Wit vlees is afkomstig van gevogelte, zoals kippen, kalkoenen, eenden en ganzen, en van tamme konijnen. De aanbeveling van de commissie is dat wit vlees zo nu en dan als vervanging voor rood en bewerkt vlees kan worden gegeten, maar dat plantaardige eiwitbronnen de voorkeur hebben. Voor zowel de gezondheid als het milieu is wit vlees gunstiger dan rood en bewerkt vlees, maar plantaardige eiwitbronnen zijn nog gunstiger.
Het beschikbare cohortonderzoek naar de relatie tussen de consumptie van wit vlees en het risico op chronische ziekten levert geen conclusies met sterke of beperkte bewijskracht op. Substitutieanalyses binnen deze cohorten laten echter zien dat vooral de aard van de vervanging van belang is. Wanneer wit vlees bewerkt vlees vervangt, is dit geassocieerd met een lager risico op hart- en vaatziekten. Wanneer wit vlees daarentegen plantaardige eiwitbronnen, zoals noten, vervangt, is dit juist geassocieerd met een hoger risico. De richtlijn om zo min mogelijk bewerkt vlees te eten, geldt daarom ook voor bewerkt wit vlees.
Voor eieren adviseert de commissie om de consumptie beperkt te houden vanwege het ongunstige effect op het LDL-cholesterol. Dit betekent dat de consumptie van eieren bij voorkeur niet toeneemt ten opzichte van het huidige gemiddelde niveau van twee tot drie eieren per week, tenzij extra eieren worden gegeten in plaats van andere producten die rijk zijn aan cholesterol en het LDL-cholesterol verhogen.
De commissie handhaaft de overkoepelende richtlijn uit 2015 om te streven naar een meer plantaardig voedingspatroon, omdat de conclusies over de relatie tussen voeding en het risico op chronische ziekten worden bevestigd door onderzoek dat na 2015 is verschenen.
Het gebruik van vlees- en zuivelvervangers kan volgens de commissie een eenvoudige manier zijn om de transitie naar een meer plantaardig voedingspatroon te ondersteunen. Het type maaltijd kan daarbij grotendeels hetzelfde blijven. Het wetenschappelijk onderzoek naar de relatie tussen deze vervangende producten en het risico op chronische ziekten is echter nog schaars. De commissie doet daarom geen concrete aanbevelingen over de consumptie van vlees- en zuivelvervangers, maar ziet op basis van de huidige kennis ook geen aanleiding om het gebruik ervan af te raden. Voor visvervangers is nauwelijks wetenschappelijke informatie beschikbaar over gezondheidseffecten, milieu-impact, consumptie, ingrediënten en voedingsstofgehalten. Daarom worden deze producten in dit hoofdstuk niet verder besproken. Ook nieuwe of alternatieve eiwitbronnen die in Nederland nog nauwelijks worden geconsumeerd, zoals producten op basis van algen, blijven buiten beschouwing; de commissie beschrijft de bijbehorende onderzoeksbehoeften elders.
Minder dan de helft van de volwassen Nederlanders gebruikt vlees- en zuivelvervangers. Bij regelmatig gebruik kan het zinvol zijn om gericht te kiezen op basis van de productsamenstelling, vooral wanneer zuivelvervangers structureel in plaats van zuivel worden gebruikt, in verband met de voorziening van calcium en de vitamines B2 en B12. Voor vleesvervangers benadrukt de commissie dat de voorkeur uitgaat naar het eten van peulvruchten, noten en volkorengranen, omdat voor deze productgroepen overtuigend gunstige effecten op het risico op chronische ziekten zijn aangetoond. Daarbij komt dat de gehaltes aan voedingsstoffen in de in Nederland verkrijgbare vlees- en zuivelvervangers sterk uiteenlopen. In een deel van deze producten zijn de gehaltes aan zout, suiker en/of verzadigde vetzuren relatief hoog. Het verdient daarom de voorkeur om te kiezen voor varianten met lage gehaltes van deze voedingsstoffen.
Tot slot benadrukt de commissie dat bij de overgang naar een meer plantaardig voedingspatroon aandacht moet blijven bestaan voor de volwaardigheid van de voeding. Voor de meeste mensen in de algemene bevolking zal een iets lagere eiwitinname geen probleem opleveren, omdat de gemiddelde eiwitinname hoger is dan noodzakelijk. Dat geldt ook voor mensen die meerdere keren per week recreatief sporten. Wel adviseerde de raad in 2023 om in de bevolking de inname van een aantal specifieke voedingsstoffen te blijven monitoren. Het gaat daarbij om de vitamines A, B2 en B12, calcium, jodium en de omega-3-vetzuren EPA en DHA, en bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd ook om ijzer.
Link naar het advies: https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/2025/12/04/advies-richtlijnen-goede-voeding-eiwitbronnen-en-voedingspatronen-2025